Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
14-1822 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft geen objectieve verifieerbare gegevens overgelegd ter staving van het standpunt dat zij tot november 2012 woonde op haar GBA-adres. Betrokkene heeft dan ook niet het onomstotelijke bewijs geleverd op grond waarvan voorbij moet worden gegaan aan het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1822 WSF

Datum uitspraak: 5 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

21 februari 2014, 13/1105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, over de jaren 2012 en 2013 aan betrokkene studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Betrokkene staat van 11 november 2011 tot 18 januari 2013 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres A.] te [woonplaats]. De moeder van betrokkene staat, ten tijde van belang, in de GBA ingeschreven onder het adres [adres B.] te [woonplaats]. De afstand tussen de beide GBA-adressen is 1,4 kilometer. Vanaf 18 januari 2013 staat betrokkene in de GBA ingeschreven onder het adres [adres B.] te [woonplaats].

1.2.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft appellant betrokkene vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt in verband waarmee de over het jaar 2012 en de vanaf januari 2013 toegekende studiefinanciering is herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende. Voorts is een bedrag van € 2.286,48, dat als gevolg van de herziening te veel aan betrokkene is betaald over 2012, teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft appellant ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat betrokkene niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven.

De controle heeft bestaan uit een poging tot het afleggen van een huisbezoek door twee controleurs op 11 januari 2013 op het GBA-adres van betrokkene, een gesprek met de bewoonster van het adres [adres C.] te [woonplaats]en een gesprek met de moeder van betrokkene op haar GBA-adres. De resultaten van de verrichte controle zijn neergelegd in een rapport van 11 januari 2013. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft de herziening plaatsgevonden vanaf 1 januari 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 18 januari 2013 herroepen. De rechtbank is, mede gelet op wat betrokkene in bezwaar heeft aangegeven, van oordeel dat betrokkene vanaf november 2012 niet woonde op haar GBA-adres. Nu zij met ingang van november 2012 niet aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs voldeed is appellant in beginsel bevoegd om de uitwonendenbeurs van betrokkene te herzien. Echter door toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 is in het geval van betrokkene de uitwonendenbeurs tevens herzien over een tijdvak ten aanzien waarvan door appellant geen onderzoek naar de woonsituatie van betrokkene is gedaan en waarover niet vaststond dat betrokkene niet woonde op haar GBA-adres. Dit betekent dat de herziening van de uitwonendenbeurs van betrokkene ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 over de periode januari 2012 tot en met oktober 2012 punitief is. De herziening over die periode is in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat betrokkene reeds bij besluit van 25 april 2013 een boete is opgelegd acht de rechtbank iedere verdere punitieve sanctie onevenredig. De rechtbank komt tot de slotsom dat appellant bevoegd blijft om tot herziening van de uitwonendenbeurs van betrokkene over te gaan vanaf november 2012. Appellant blijft voorts bevoegd om de uitwonendenbeurs van betrokkene te herzien met ingang van een eerdere datum mocht bij onderzoek worden vastgesteld dat betrokkene al vóór november 2012 niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs.

3. Appellant heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad

van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146 tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de herziening op grond van artikel 9.9,

tweede lid, van de Wsf 2000 een punitieve sanctie is. Betrokkene heeft niet het onomstotelijke bewijs geleverd dat zij gedurende (een deel van) de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 wel woonde op haar GBA-adres.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.2 van de Wsf 2000 is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

4.1.3.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

4.1.4.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.1.5.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.6.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.

4.1.7.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

De voorwaarden om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende zijn, voor zover hier van belang, door de wetgever neergelegd in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Daarnaast heeft de wetgever, vanuit het oogpunt van een effectieve fraudebestrijding, in de Wsf 2000 artikel 9.9, tweede lid, ingevoerd. Dit artikellid levert een wettelijk vermoeden op dat de op een bepaald moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 bestaat vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de GBA heeft ingeschreven. De ratio van dit wettelijk vermoeden is dat het voor appellant moeilijk is om exact te kunnen vaststellen over welke periode een studerende feitelijk niet op zijn GBA-adres heeft gewoond. Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 creëert derhalve een juridische fictie die is ingegeven door de bewijsnood waarin appellant verkeert. De studerende heeft de mogelijkheid om het bewijs te leveren dat hij gedurende (een deel van) de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 wel degelijk woonde op het betreffende GBA-adres. Indien op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is, moet appellant afwijken van

artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening afzien. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Gelet hierop is geen sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene ten tijde van de controle op 11 januari 2013 niet woonde op het adres waaronder zij in de GBA stond ingeschreven. Daarmee staat vast dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Deze vaststelling leidt voor betrokkene, in aanmerking nemend de datum van inwerkingtreding van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 bezien in samenhang met artikel 1.2 van de Wsf 2000, in beginsel tot een herziening van de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 januari 2012.

4.4.

In de in 4.2 vermelde uitspraak van de Raad is geoordeeld dat appellant bij de toepassing van artikel 9.9 van de Wsf 2000 onder omstandigheden aanleiding moet zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Het gaat dan, voor zover hier van belang, om de situatie waarin de studerende onomstotelijk bewijs heeft geleverd dat hij in (een deel van) de periode waarover de Minister tot herziening is overgegaan wel op het betreffende GBA-adres heeft gewoond. Anders dan de rechtbank veronderstelt rust de bewijslast, gelet op de uit artikel 9.9 van de Wsf 2000 voortvloeiende bewijslastverdeling, niet op appellant.

4.5.

Betrokkene is niet opgekomen tegen het expliciete oordeel van de rechtbank dat zij vanaf november 2012 niet woonde op haar GBA-adres, zodat dat oordeel tussen partijen in hoger beroep vaststaat.

4.6.

Betrokkene is voorts door de Raad bij brief van 22 juli 2014 voorgelicht over de wettelijke systematiek zoals neergelegd in de hiervoor onder 4.2 vermelde uitspraak van de Raad en is daarbij gewezen op haar bewijspositie. Betrokkene is bij die brief, en nadien bij rappelbrief van 22 augustus 2014, in de gelegenheid gesteld bewijsstukken in te zenden ter onderbouwing van het standpunt dat zij in de periode januari 2012 tot november 2012 feitelijk woonde op haar GBA-adres. Betrokkene heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ook in bezwaar en beroep heeft betrokkene geen objectieve verifieerbare gegevens overgelegd ter staving van het standpunt dat zij tot november 2012 woonde op haar

GBA-adres. Betrokkene heeft dan ook niet het onomstotelijke bewijs geleverd op grond waarvan voorbij moet worden gegaan aan het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, moet het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K. de Jong

HD