Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
13-799 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Uitsluiting voortvluchtige bijstandsgerechtigde. Bewijslast. Redelijkheid duur intrekking met terugwerkende kracht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/402
RSV 2014/268
JWWB 2015/11

Uitspraak

13/799 WWB-T

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2013, 12/1857 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Namens appellant is mr. Kuijer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 juni 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 19 november 2011 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aan het college gemeld dat appellant zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en sinds

6 december 2008 als voortvluchtig staat geregistreerd.

1.2.

Bij besluit van 30 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2011 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 november 2011 (te beoordelen periode) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.388,50 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich onttrok aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft - samengevat - gesteld dat hij zich niet heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf omdat hij niet op de hoogte was van de omzetting van de aan hem opgelegde taakstraf naar een vrijheidsstraf.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2011 is artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB in werking getreden. Ingevolge dit artikel heeft geen recht op bijstand degene die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat gelijktijdig een gelijkluidende wijziging is gebracht in een aantal sociale zekerheidsregelingen, onder meer in de Algemene Ouderdomswet (AOW) (Kamerstukken II 2010/11, 32 520, nr. 6, p. 22). Volgens het overgangsrecht eindigt het recht op bijstand van een betrokkene die voor de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling recht op bijstand had en die zich op die datum onttrekt aan tenuitvoerlegging, zes maanden na die datum (Stb. 2010, 838, artikel XX, onderdeel H).

4.2.

Het college is gehouden bij de toepassing van artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de WWB te beoordelen of appellant zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In zijn uitspraken van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) en 12 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:1127) heeft de Raad geoordeeld dat onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de AOW is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Het bestuursorgaan dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. De Raad acht deze uitleg ook in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, onder b, van de WWB.

4.3.

Bij de beoordeling of appellant zich heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, is het college uitgegaan van de melding van het CJIB dat appellant gesignaleerd staat als voortvluchtige veroordeelde. Na de betwisting van de onttrekking door appellant heeft het college eerst in beroep nadere informatie ingewonnen bij het CJIB. In een mailbericht van 18 oktober 2012 van het CJIB wordt, voor zover van belang, gemeld dat op 10 april 2008 de aan appellant opgelegde taakstraf door het Openbaar Ministerie is omgezet in een vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen. Omdat de akte van uitreiking van de omzetting van de taakstraf op 7 oktober 2008 niet in persoon kon worden betekend heeft een griffiebetekening bij de rechtbank plaatsgevonden. Het op

14 oktober 2008 naar de politie uitgevaardigde arrestatiebevel heeft de politie op 4 december 2008 geretourneerd met de reden dat de veroordeelde wel is ingeschreven op het adres maar daar niet daadwerkelijk woonachtig is. Veroordeelde is vervolgens op 6 december 2008 in het opsporingsregister als voortvluchtig opgenomen.

4.4.

Dat het college in eerste instantie afgaat op de informatie van het CJIB is in beginsel zorgvuldig. Dat laat echter volgens vaste jurisprudentie van de Raad (uitspraak van 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2651) onverlet dat wanneer de uitkeringsgerechtigde de aldus bevonden onttrekking aan de tenuitvoerlegging gemotiveerd bestrijdt, het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat het college, in samenspraak met het CJIB, een nader onderzoek dient te verrichten naar mogelijke aanwijzingen dat de uitkeringsgerechtigde zich niet of niet langer aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekt.

4.5.

Appellant heeft gemotiveerd bestreden dat hij zich aan de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf heeft onttrokken. In het licht hiervan en gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen heeft het college onvoldoende onderbouwd dat appellant zich in de periode in geding aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken. Het onderzoek daarnaar is onzorgvuldig geweest. De door het CJIB in het in 4.3 genoemde mailbericht verstrekte informatie betreffende de griffiebetekening en de pogingen van de politie tot tenuitvoerlegging, is niet alleen minimaal maar bovendien niet verifieerbaar. Weliswaar zijn bij dit mailbericht enkele stukken gevoegd, maar de stukken van de betekening ontbreken. Uit deze informatie is verder niet af te leiden waarop de conclusie is gebaseerd dat appellant wel ingeschreven staat op het adres, maar daar niet daadwerkelijk woonachtig is. Daarbij is van belang dat appellant heeft gesteld steeds op hetzelfde adres woonachtig te zijn geweest en heeft ontkend stukken, waaronder de omzettingsbeslissing, van Justitie te hebben ontvangen. Evenmin blijkt uit de informatie van het CJIB dat nadat appellant in het opsporingsregister was opgenomen door Justitie, één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

4.6.

De hiervoor gesignaleerde gebreken aan het onderzoek van het college brengen met zich mee dat niet is komen vast te staan dat appellant zich in de te beoordelen periode heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Dit betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

5.1.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

Gelet op 4.6 kunnen in dit geval de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Het college zal een nader onderzoek moeten instellen naar de vraag of appellant zich aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heeft onttrokken. Na afronding van het onderzoek zal het college op basis van de resultaten van dat onderzoek een nader besluit dienen te nemen.

5.2.

Indien het college na dit onderzoek zijn standpunt handhaaft dat appellant in de te beoordelen periode een voortvluchtige veroordeelde was, wordt voor het nader te nemen besluit van belang dat appellant voorts heeft aangevoerd dat de intrekking en terugvordering voor de duur van vijf maanden, mede gelet op de duur van de vervangende hechtenis, onbillijk en disproportioneel zijn. Het college heeft zoals volgt uit 1.1 eerst op

19 november 2011 de melding ontvangen dat appellant sinds 6 december 2008 als voortvluchtig staat geregistreerd, terwijl uit het onder 4.1 geciteerde overgangsrecht volgt dat de hier aan de orde zijnde uitsluiting van het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2011 voor appellant zou gelden. Het college heeft vervolgens die datum als ingangsdatum van intrekking en terugvordering gekozen. De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat sprake was van een miscommunicatie tussen het college en het CJIB waardoor niet eerder dan op 19 november 2011 een signaal over het onttrekken van appellant naar het college is gezonden. In de regel zal nog steeds volgens de gemachtigde van het college de periode van intrekking en terugvordering beperkt zijn omdat in voorkomende gevallen het college binnen één maand na de melding van een onttrekking een beslissing over het recht op bijstand zal nemen.

5.3.

De in het bestreden besluit gehanteerde periode van intrekking en terugvordering is, gelet op de mede door het college veroorzaakte miscommunicatie, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De ter zitting door de gemachtigde van het college genoemde periode van één maand acht de Raad in dit geval geen onredelijke termijn. Indien dus het college het onder 5.2 genoemde standpunt handhaaft, zal het in het nader besluit tevens de periode van de intrekking en terugvordering nader dienen te motiveren.

6. De Raad ziet aanleiding om het college op te dragen de gebreken in het besluit van

27 maart 2012 te herstellen met inachtneming van wat onder 4.1 tot en met 4.6 en 5.1 tot en met 5.3 is overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met in achtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) P.C.de Wit

HD