Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
13-3180 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft terecht medegedeeld dat geen dwangsom verschuldigd is omdat het (uitgebleven) besluit binnen twee weken na de dag van ontvangst van de ingebrekestelling is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/420

Uitspraak

13/3180 WWB

Datum uitspraak: 11 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 april 2013, 12/2810 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appell] te [woonplaars] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/5004 WWB plaatsgevonden op

30 september 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het college kosten van ten onrechte aan appellant verstrekte bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 5.446,81.

1.2.

Appellant heeft het college bij brief van 18 mei 2011 verzocht om herziening van het besluit van 6 augustus 2003 en tevens - herhaald - verzocht om toezending van de stukken die aan dit besluit ten grondslag liggen.

1.3.

Bij brief van 18 april 2012 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek om herziening. Het college heeft vervolgens bij besluit van 3 mei 2012 (besluit 1) het verzoek om herziening afgewezen.

1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 3 mei 2012 (besluit 2) heeft het college meegedeeld dat geen dwangsom is verschuldigd, omdat besluit 1 binnen twee weken na de dag van ontvangst van de ingebrekestelling is genomen.

1.5.

Het college heeft het bezwaar van appellant tegen besluit 2 (bestreden besluit) doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat het college de ingebrekestelling blijkens de ontvangststempel op 20 april 2012 heeft ontvangen. Appellant heeft de ingebrekestelling op 18 april 2012 niet alleen per post verzonden maar ook gefaxt, zo blijkt uit de door hem overgelegde faxbevestiging met OK-melding. Hieruit volgt dat

besluit 2 niet tijdig is genomen. Dit geldt temeer nu appellant het college al eerder dan op

18 april 2012 in gebreke heeft gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, verbeurt het college aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op de aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.2.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat uit de ontvangststempel blijkt dat het college de ingebrekestelling op 20 april 2012 heeft ontvangen. Anders dan appellant stelt, is de overgelegde faxbevestiging met OK-melding geen sluitend bewijs dat het college de ingebrekestelling per fax op 18 april 2012 heeft ontvangen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5219. Voorts is uit de stukken in het dossier niet gebleken dat appellant het college eerder dan met de door het college op 20 april 2012 ontvangen brief van 18 april 2012 in gebreke heeft gesteld met betrekking tot het nemen van een besluit op het herzieningsverzoek. In aanmerking genomen dat het college de ingebrekestelling op 20 april 2012 heeft ontvangen, is besluit 2 tijdig genomen, zodat het college geen dwangsom is verschuldigd.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD