Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
13-4871 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Geen hoofdverblijf meer op het uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting. Redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres. Voldaan aan de vereisten van ‘informed consent’. Appellante mag aan haar aanvankelijk afgelegde verklaring worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/13

Uitspraak

13/4871 WWB

Datum uitspraak: 11 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

31 juli 2013, 12/5897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Perrels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Perrels. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van Fulpen en P.J. Sluis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 juni 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres A.] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een schriftelijke anonieme tip dat appellante niet woonachtig is op het uitkeringsadres, maar dat zij samenleeft met [naam partner] ([partner]) op de

[adrs B.] te [plaatsnaam] heeft een fraudepreventiemedewerker van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de fraudepreventiemedewerker dossieronderzoek verricht, registers en internet geraadpleegd, onderzoek gedaan naar het water-, elektriciteits- en gasverbruik op het uitkeringsadres, van 21 juni 2012 tot en met 3 juli 2012 waarnemingen ter plaatse gedaan bij zowel het uitkeringsadres als bij het adres te [plaatsnaam] bankafschriften opgevraagd, met een collega op 3 juli 2012 een gesprek met appellante gehad en aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Appellante heeft geen toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek aan het adres van [partner] in [plaatsnaam]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juli 2012.

1.3.

Op 3 juli 2012 heeft appellante drie verklaringen ondertekend. De eerste verklaring (verklaring 1) houdt in dat appellante in het gesprek de vragen naar waarheid heeft beantwoord en niets heeft verzwegen. De tweede verklaring (verklaring 2) houdt in dat appellante sinds mei 2009 niet meer haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, maar dat zij op het adres te [plaatsnaam] een gezamenlijke huishouding voert met [partner]. De derde verklaring (verklaring 3) houdt in dat appellante haar bijstand met ingang van 3 juli 2012 wenst te beëindigen en dat zij drie dagen bedenktijd heeft gekregen om op deze beslissing terug te komen. Op 5 juli 2012 stuurt appellante een brief waarin zij - samengevat - te kennen geeft dat in verklaring 1 onvolledigheden en fouten staan, dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met [partner] sinds 2009, dat zij weer volledig op het uitkeringsadres woont en per 4 juli 2012 bijstand heeft aangevraagd.

1.4.

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

3 juli 2012 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld wegens schending van de inlichtingenverplichting. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat appellante sinds een langere periode geen hoofdverblijf meer heeft op het uitkeringsadres.

1.5.

Bij besluit van 12 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante er geen melding van heeft gemaakt dat zij met ingang van

3 juli 2012 niet op het uitkeringsadres woonde, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Doorslaggevend is dat appellante zelf heeft verklaard dat zij sinds medio 2009 een gezamenlijke huishouding voert met [partner] op het adres te [plaatsnaam] en dat zij dat niet eerder heeft verteld aan het Cluster Sociale Dienstverlening Team Werk en Inkomen van de gemeente Haarlemmermeer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante kan worden gehouden aan de door haar afgelegde verklaring waaruit blijkt dat zij niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Door geen toestemming te verlenen voor een huisbezoek aan het adres te [plaatsnaam] heeft zij de onduidelijkheid omtrent haar woonsituatie laten voortbestaan en was het voor het college niet mogelijk het recht op bijstand vast te stellen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank [partner] in de aangevallen uitspraak ten onrechte als partner heeft aangeduid. De door appelante op 3 juli 2012 afgelegde verklaring 1 dient buiten beschouwing te worden gelaten, omdat zij deze verklaring binnen de drie dagen bedenktijd heeft ingetrokken en deze verklaring niet vrijwillig is ondertekend. De gegevens verkregen bij het huisbezoek op het uitkeringsadres dienen eveneens buiten beschouwing te worden gelaten, omdat geen redelijke grond voor het huisbezoek bestond en bij het onderzoek naar de inhoud van een aantal kasten was geen sprake van ‘informed consent’. Aan de weigering om toestemming te geven voor het huisbezoek aan het adres te [plaatsnaam] mogen evenmin consequenties worden verbonden, omdat geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode bestrijkt één dag, te weten 3 juli 2012, aangezien het college aan appellante met ingang van 4 juli 2012 opnieuw bijstand heeft toegekend.

4.2.

De grond dat de rechtbank [partner] ten onrechte als partner heeft aangeduid behoeft geen bespreking, omdat in het onderhavige geschil de relatie tussen appellante en [partner] geen rol speelt. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college immers niet ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding met [partner] voerde, maar dat zij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke woonadres, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstand verlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor dit besluit is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het ligt daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellante gedurende de te beoordelen periode niet feitelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college daarin is geslaagd.

4.5.

Anders dan appellante heeft betoogd, bestaat geen aanleiding haar niet te houden aan de verklaringen die zij op 3 juli 2012 heeft afgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Uit de stukken volgt dat de drie dagen bedenktijd uitsluitend betrekking heeft op verklaring 3. Appellante kan niet gevolgd worden in haar standpunt dat de drie dagen bedenktijd ook geldt voor verklaring 1. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij deze verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang is dat appellante in eerste instantie een uitvoerige en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd en haar verklaring, na lezing, op onderdelen heeft bijgesteld, per pagina geparafeerd en zonder enig voorbehoud ondertekend en dat verklaring 1 steun vindt in andere objectieve gegevens zoals de resultaten van de verrichte waarnemingen en de op het uitkeringsadres aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek van 3 juli 2012, welke situatie in overeenstemming was met wat appellante had verklaard. Bij haar brief van 5 juli 2012 heeft appellante, zonder nadere onderbouwing, te kennen gegeven dat in verklaring 1 onvolledigheden en fouten staan, wat onvoldoende is om aan de juiste weergave van de eerdere verklaring te twijfelen.

4.6.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de bevindingen van het huisbezoek aan het uitkeringsadres buiten beschouwing moeten worden gelaten.

4.6.1.

Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

4.6.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres. Een redelijke grond voor het huisbezoek is gelegen in verklaring 1 van appellante waarin zij onder meer heeft verklaard dat zij sinds 2009 in [plaatsnaam] woont en dat er niemand op het uitkeringsadres woont. Dit vindt steun in de waarnemingen ter plaatse in de periode van 21 juni 2012 tot en met 3 juli 2012, waaruit blijkt dat de auto van appellante een groot aantal avonden en de daarop volgende ochtenden geparkeerd stond bij het adres te [plaatsnaam] Om die reden kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonsituatie. In dit geval was dan ook een redelijke grond aanwezig voor het afleggen van een huisbezoek op 3 juli 2012.

4.6.3.

Het betoog van appellante dat voor het tonen van de inhoud van een dressoir, een inbouwkast en de koelkast tijdens het huisbezoek niet uitdrukkelijk vooraf toestemming is gevraagd, zodat voor dit deel van het huisbezoek niet voldaan zou zijn aan het vereiste van ‘informed consent’, slaagt niet. Uit de toestemmingsverklaring van appellante blijkt dat zij voorafgaande aan het huisbezoek is geïnformeerd over de reden en het doel van het huisbezoek en dat zij er op is gewezen dat niet meewerken aan het huisbezoek tot gevolg kan hebben dat haar recht op bijstand wordt ingetrokken. Daarmee is aan de vereisten van ‘informed consent’ voldaan. Het stond appellante vrij om gedurende het huisbezoek haar toestemming in te trekken. De Raad heeft geen aanleiding om te oordelen dat appellante op enig moment haar toestemming heeft ingetrokken.

4.7.

Verklaring 1 van appellante, waaraan zij gelet op 4.5 mag worden gehouden, en de overige onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat appellante op 3 juli 2012 niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Door hiervan geen melding te maken bij het college heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan appellante om aan te tonen dat indien zij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, zij toch recht zou hebben gehad op bijstand. Appellante had dit wellicht kunnen doen door mee te werken aan een huisbezoek bij [partner]. Zij heeft dit niet gedaan en ook anderszins heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier van belang recht had op bijstand.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD