Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
13-4748 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Straathandel in de vorm van (nep)drugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4748 WWB

Datum uitspraak: 11 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 juli 2013, 12/5043 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.N. Ritzer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, met onderbrekingen, vanaf 5 maart 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een mededeling van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland dat appellant veelvuldig is aangehouden op verdenking van de verkoop van op verdovende middelen gelijkende stof, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer gebruik gemaakt van de door de politie ter beschikking gestelde processen-verbaal van de aanhoudingen op 6 mei 2009, 27 juni 2009, 9 juli 2009, 16 augustus 2009, 6 september 2009, 10 september 2009 en 12 november 2011 en is appellant op 17 april 2012 gehoord. Appellant heeft tijdens dit verhoor verklaard dat hij in het verleden heeft gehandeld in (nep)drugs en dat hij hiervoor in detentie heeft gezeten. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage Uitkeringsfraude van 23 april 2012.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onder 1.2 genoemde onderzoek aanleiding gezien bij besluit van 19 juni 2012 de bijstand van appellant over de periode van 1 mei 2009 tot en met 30 september 2009 en over de periode van 1 november 2011 tot en met

30 november 2011 in te trekken en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.738,51 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant in deze perioden oncontroleerbare inkomsten heeft gehad uit straathandel in de vorm van (nep)drugs waarvan hij bij het college geen melding heeft gedaan en dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de perioden in geding niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 14 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij zich in de periode van 1 november 2011 tot en met 30 november 2011 schuldig heeft gemaakt aan handel in (nep)drugs. Ter onderbouwing van dit standpunt voert appellant aan dat het proces-verbaal van de politie van 12 november 2011 niet als een toereikende grondslag hiertoe kan dienen nu de strafrechter de inhoud hiervan op 4 december 2012 onvoldoende heeft geacht om hem te veroordelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de door appellant aangevoerde gronden loopt de thans nog te beoordelen periode van 1 november 2011 tot en met 30 november 2011.

4.2.

Appellant is op 12 november 2011 door de politie aangehouden op verdenking van handel in (nep)drugs. De politie is tot deze aanhouding overgegaan nadat op beelden van een politiecamera was waargenomen dat appellant een toerist aansprak, die kort daarna, desgevraagd, tegenover de politie heeft verklaard dat appellant hem cocaïne te koop heeft aangeboden. Bij de aanhouding werden bij appellant twee bolletjes met (nep)drugs aangetroffen. Appellant heeft tijdens het verhoor door de sociale recherche, geconfronteerd met het proces-verbaal van de aanhouding op 12 november 2011, het te koop aanbieden en het in bezit hebben van (nep)drugs op 12 november 2011 expliciet erkend. Het college heeft zich op basis van deze gegevens dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant gedurende de nog in geding zijnde periode heeft gehandeld in (nep)drugs en in strijd met zijn inlichtingenverplichting deze activiteiten niet heeft gemeld aan het college. Nu de omvang van de door appellant verrichte activiteiten bij gebrek aan enige administratie of ander bewijs niet kan worden bepaald, kan het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld.

4.3.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant heeft vrijgesproken, doet volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:CRVB:2011:BP5715) aan het onder 4.2 overwogene geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Overigens heeft appellant ook in hoger beroep het betreffende vonnis niet overgelegd waaruit blijkt op grond waarvan de politierechter tot zijn oordeel is gekomen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD