Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
12-6501 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van een exptertise onderzoek in het kader van een WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/268

Uitspraak

12/6501 WWB

Datum uitspraak: 1 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2012, 12/1766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014. Namens appellante is verschenen mr. M.H.J. van Geffen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Vetter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 23 januari 2012 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van een expertise onderzoek ter hoogte van € 833,-. Zonder een dergelijk onderzoek stelt zij nagenoeg kansloos te zijn in het kader van de door haar aangespannen beroepsprocedure naar aanleiding van het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarbij afwijzend is beslist op haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

1.2.

Bij besluit van 9 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat op voorhand niet vast staat dat een contra-expertise voor het door appellante gewenste resultaat in haar beroepszaak noodzakelijk is, zodat de kosten daarvoor niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB kunnen worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt dat een contra expertise in het kader van de beroepsprocedure tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering ingevolge de WIA niet noodzakelijk is. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat in zaken waar het gaat om toekenning en intrekking van WIA-uitkeringen een (bezwaar) verzekeringsarts, die in dienst is van en betaald wordt door het Uwv, een vertaalslag maakt van de klachten van de betrokkene naar de op te nemen beperkingen in de zogenoemde de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante stelt dat de rechtbank uitsluitend overgaat tot benoeming van een deskundige als er sprake is van twijfel over de bij een betrokkene aanwezige beperkingen. Een behandelend arts mag echter geen oordeel geven over de (medische) geschiktheid of ongeschiktheid van een patiënt. Daarom kan alleen met een expertise onderzoek de door de (bezwaar)verzekeringsarts gemaakte vertaalslag met succes worden aangevochten. Appellante is dan ook van mening dat het laten verrichten van een expertise onderzoek in de beroepsprocedure onontbeerlijk is. Zonder een dergelijk onderzoek is het beroep van appellante kansloos en is sprake van ongeschiktheid in de procespositie van partijen. Omdat de kosten vooraf moeten worden gemaakt, biedt een vergoeding van de kosten via een proceskostenveroordeling geen soelaas.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft een alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0334, overwogen dat de bezwarenprocedure bij het Uwv in beginsel geldt als een met voldoende waarborgen omklede procedure, waarin de betrokkene het standpunt van het bestuursorgaan kan betwisten, zijn argumenten naar voren kan brengen en deze zo nodig kan onderbouwen met reeds voorhanden zijnde gegevens. Daartoe kan appellante ook medische gegevens van bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelend arts, specialist of de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige overleggen. Een op die wijze onderbouwd beroep is niet op voorhand kansloos. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de enkele wens tot versterking van de eigen positie in een geschil met een bestuursorgaan geen toereikende grond is voor inschakeling van een deskundige.

4.3.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt geen grond om af te wijken van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. Het is blijkens de rechtspraak van de Raad in WIA zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4686) aan de (bezwaar)verzekeringsarts om een vertaalslag te maken van de klachten van de betrokkene naar de op te nemen beperkingen in de FML. Indien de betrokkene van mening is dat hij verdergaand beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsarts in de FML heeft aangenomen, dient hij de deugdelijkheid van de daaraan ten grondslag gelegde medische onderbouwing te weerleggen. Daarvoor is, zoals in 4.2 ligt besloten, een expertise onderzoek niet noodzakelijk. Het enkele feit dat een inventarisatie in de eigen praktijk van de gemachtigde van appellante leert dat vanaf januari 2012 in 100% van de gevallen dat er een psychiatrische expertise is verricht, er in 100% van de gevallen is overgegaan tot benoeming van een onafhankelijk deskundige door de rechtbank, en dat in 100% van de gevallen waarin geen contra-expertise is verricht er in 100% van de gevallen geen psychiater als onafhankelijk deskundige is benoemd, is onvoldoende om te oordelen dat een expertise onderzoek onontbeerlijk is voor een kans op enig succes in de beroepsprocedure van appellante. Met betrekking tot de grond dat een (bezwaar)verzekeringsarts niet kan worden aangemerkt als een onafhankelijk deskundige omdat hij in dienst is bij het Uwv en dat sprake is van ongelijkheid in de procespositie van partijen, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6433) en de uitspraken waarnaar daarin wordt verwezen. Aan deze uitspraken zijn geen aanknopingspunten te ontlenen voor het standpunt van appellante.

4.4.

Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de kosten van een expertise onderzoek niet als uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen worden aangemerkt. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten dan ook terecht afgewezen.

4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

IJ