Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
13-1403 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CIZ is met het nadere besluit tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. Geen procesbelang meer. Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1403 AWBZ, 13/3226 AWBZ

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 februari 2013, 12/2086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 4 juni 2013 is namens appellant een verklaring van K. Brandwijk, sociaal geriater, van 28 mei 2013 overgelegd.

Bij brief van 14 juni 2013 heeft CIZ de Raad een aanvullend medisch advies van

J. van der Sluis van 31 mei 2013 alsmede de beslissing op bezwaar van 13 juni 2013 toegezonden.

Bij brief van 12 december 2013 is namens appellant op de voornoemde stukken gereageerd.

CIZ heeft op 14 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 september 2014 is namens appellant op het verweerschrift gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 september 2014. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1937, is onder meer bekend met chronische lymfatische leukemie en status na een B2 maagresectie, met als gevolg een vitamine B12 tekort. In verband met zijn beperkingen heeft appellant CIZ op 16 september 2011 verzocht om een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor de functies Persoonlijke verzorging, Verpleging en Begeleiding.

1.2.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft CIZ appellant voor de periode van 6 oktober 2011 tot 5 oktober 2026 geïndiceerd voor de functie Persoonlijke verzorging, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week). Bij besluit van 14 mei 2012 heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2011 ongegrond verklaard. Hangende beroep heeft CIZ bij besluit van 13 september 2012 het besluit van 14 mei 2012 ingetrokken en appellant geïndiceerd voor de functie Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 6 oktober 2011 tot 25 oktober 2012.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2012 heeft CIZ het besluit van 14 mei 2012 hangende beroep ingetrokken en appellant geïndiceerd voor de functie Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 6 oktober 2011 tot 7 januari 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover nu van belang - het beroep tegen het besluit van 3 december 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te oordelen dat het daaraan ten grondslag liggende medisch advies niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en inzichtelijkheid. Appellant is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om concrete aanknopingspunten naar voren te brengen die leiden tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.

3. Bij het nadere besluit van 13 juni 2013 heeft CIZ appellant, onder intrekking van het voorafgaande besluit, geïndiceerd voor de functie Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 6 oktober 2011 tot 28 mei 2013 en voor de functie Begeleiding individueel, klasse 2, voor de periode van 6 oktober 2011 tot 28 mei 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nadere besluit van 13 juli 2013 wordt op grond van het bepaalde in de artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding in hoger beroep betrokken.

4.2.

De Raad stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat CIZ met het nadere besluit van 13 juni 2013 is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. Hieruit volgt dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de Raad, zodat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.3.

Partijen zijn enkel nog verdeeld over de vraag of er aanleiding bestaat CIZ te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Bij het vervallen van procesbelang kan een grond voor een veroordeling in de proceskosten zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen, in welk geval, indien het hoger beroep zou zijn ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk is.

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De bij het procesverloop vermelde medische verklaring van

28 mei 2013 met betrekking tot het vaststellen van de diagnose dementie is door appellant in hoger beroep in de procedure gebracht, maar deze informatie heeft betrekking op een reeds eerder door hem ingenomen standpunt. CIZ heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat voor een proceskostenveroordeling geen plaats is, omdat het nadere besluit is genomen met de nodige zorgvuldigheid en gebruik makend van de op dat moment meest recente medisch objectiveerbare informatie.

4.5.

De Raad heeft geen aanknopingspunten dat appellant eerder had kunnen beschikken over de voornoemde medische informatie, die zijn vanaf de aanvraag gemotiveerd ingenomen standpunt onderbouwt dat hij als gevolg van cognitieve achteruitgang beperkingen heeft bij het voeren van regie. Nu CIZ aan de bewaren van appellant is tegemoetgekomen en in het nadere besluit tot de conclusie komt dat appellant vanaf het begin van de looptijd van de indicatie aanspraak heeft op de functie Begeleiding bestaat er aanleiding CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- in beroep en op

€ 730,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Raad betrokken dat op verzoek van de rechtbank of de Raad gegeven schriftelijke reacties op nadere besluiten waarop het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb van toepassing is geacht, op basis van (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht in de berekening van de proceskosten moeten worden betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7664, volgt dat naar analogie van de in de bijlage vermelde schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Awb voor het geven van die schriftelijke reactie de toekenning van 0,5 punt aangewezen is.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt CIZ in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2191,50;

- bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) H.J. Dekker

JS