Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
13-2412 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van de eigen auto. Geen bewijs van grotere vervoersbehoefte. Geen sprake van dreigende vereenzaming of sociaal isolement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2412 WMO

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

25 maart 2013, 12/1457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [plaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Maassen van den Brink-Jager.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appelante heeft mobiliteitsbeperkingen en kan niet deelnemen aan het collectief vervoer. In verband met deze mobiliteitsbeperkingen heeft het college haar bij besluit van

10 februari 2012 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) met ingang van 24 januari 2012 een vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van de eigen auto toegekend, gebaseerd op 1500 kilometer per jaar. Dit komt neer op een bedrag van € 40,- per maand.

1.2.

Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar heeft het college nader onderzoek verricht naar de vervoersbehoefte van appellante. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage WMO en een WMO rapportage kort van

10 mei 2012. Vast is komen te staan dat de vervoersbehoefte van appellante hoger is dan

1500 kilometer per jaar, zodat het college aanleiding heeft gezien om het besluit van

10 februari 2012 te herzien en appellante een vervoerskostenvergoeding toe te kennen, gebaseerd op 2288 kilometer per jaar. Over de periode van 24 januari 2012 tot 10 mei 2012 heeft het college een vervoerskostenvergoeding van € 60,80 per maand toegekend. Met ingang van 10 mei 2012 is de vergoeding per kilometer verhoogd naar € 68,40 per maand. Het college heeft dit neergelegd in een besluit van 23 mei 2012.

1.3.

Bij besluit van 8 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 februari 2012, dat het college mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 23 mei 2012, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de aan haar toegekende vergoeding niet toereikend is, omdat haar vervoersbehoefte hoger is dan 2288 kilometer per jaar. Appellante moet voor medische behandelingen vaak naar het ziekenhuis in onder meer Apeldoorn en Hoofddorp. Ook heeft zij veel familieleden die niet in [plaats] wonen. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake is van dreigende vereenzaming en sociaal isolement.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de rapportage WMO en de WMO rapportage kort blijkt dat I. van der Stege, consulent van het WMO loket, samen met appellante haar vervoersbehoefte in kaart heeft gebracht. Appellante heeft daarbij te kennen gegeven dat zij heel vaak naar het ziekenhuis en de huisarts in [plaats] moet, maar zij heeft dit frequente bezoek niet onderbouwd. Appellante heeft goed contact met haar dochter die in [plaats] woont en zij heeft ook vrienden en kennissen die in [plaats] wonen. Gemiddeld bezoekt zij hen eenmaal per week. De locaties voor het bezoeken van familie, vrienden en kennissen heeft appellante niet willen verstrekken. Voor controle van haar medische behandeling moet appellante nog één of twee keer per jaar naar het ziekenhuis in Hoofddorp. Verder heeft appellante veel familie buiten [plaats], die zij wil bezoeken. Het college heeft aan de hand van deze gegevens de vervoersbehoefte van appellante vastgesteld op 2288 kilometer per jaar. Bij die berekening is uitgegaan van twee ritten per week met een afstand van ongeveer 7 kilometer per enkele reis voor het doen van boodschappen en één rit per week met een afstand van 7,5 kilometer per enkele reis voor aanvullend vervoer.

4.2.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellante met de toegekende vervoerskostenvergoeding van € 68,40 per maand geenszins tekort is gedaan. Appellante heeft niet met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd dat haar vervoersbehoefte hoger is dan 2288 kilometer per jaar. Ook voor het vervoer naar het ziekenhuis in Apeldoorn en Hoofddorp wordt appellante geacht uit te kunnen komen met de aan haar toegekende vervoerskostenvergoeding. Voor de conclusie dat sprake is van dreigende vereenzaming of sociaal isolement, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de bovenlokale verkeersbehoefte van appellante, bestaat geen aanleiding nu appellante familie, vrienden en kennissen in [plaats] heeft die zij gemiddeld eenmaal per week bezoekt.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) V. van Rij

NK