Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
12-135 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stellen aanvraag WAO-uitkering. Het Uwv beschikte niet over voldoende gegevens en bescheiden om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan. De door het Uwv bij appellant opgevraagde gegevens zijn noodzakelijk om het recht op een WAO-uitkering te kunnen beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/135 WAO

Datum uitspraak: 31 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 december 2011, 11/3437 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Bij faxbericht van 29 november 2013 heeft mr. A. el Idrissi, advocaat, zich als gemachtigde voor appellant gesteld en verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting.

De Raad heeft dit verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Namens appellant heeft zijn echtgenote vanuit Marokko het Uwv bij brief van

18 januari 2011 verzocht om hulp. Daarbij is te kennen gegeven dat appellant lange tijd in Nederland heeft verbleven en dat hij zich in 1983 ziek heeft gemeld bij het GAK in Rotterdam.

1.2. Het Uwv heeft het verzoek van appellant opgevat als een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft appellant bij brief van 10 februari 2011 bericht dat een onderzoek in de verzekerdenadministratie over de afgelopen vijf jaar geen verzekeringstijdvakken van appellant heeft opgeleverd, zodat op basis van de beschikbare gegevens geen WAO-uitkering aan hem kan worden toegekend. Appellant is tot 10 maart 2011 in de gelegenheid gesteld nadere, voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijnde, gegevens te verstrekken zoals zijn sofinummer, informatie met betrekking tot de eerste ziektedag en originele medische rapporten over de periode dat hij ziek is geworden.

1.3. Appellant heeft bij brief van 28 februari 2011 gereageerd op de brief van

10 februari 2011. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat hij gewerkt heeft bij [naam B.V.], dat hij eind 1982 ziek is geworden en zich ziek heeft gemeld bij het GAK, waarbij hij alle noodzakelijke papieren heeft overhandigd en dat hij bij terugkeer naar Marokko alle papieren kwijt is geraakt. Appellant verzoekt het Uwv contact op te nemen met het GAK om zijn gegevens op te vragen.

1.4. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant bij besluit van 22 maart 2011 buiten behandeling gesteld. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5. Bij besluit van 14 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 maart 2011 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant met zijn brief van 28 februari 2011 de aanvraag niet heeft gecomplementeerd en dat ook in bezwaar niet is gebleken dat het besluit van 22 maart 2011 op een onjuiste grondslag berust.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat de door het Uwv gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of appellant verzekerd is op grond van de WAO. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verstrekte gegevens onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering of het nemen van een besluit daarover, zodat het Uwv bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te laten. Zij heeft daarbij betrokken dat appellant geen documenten heeft overgelegd die bewijzen dat hij werkelijk bij [naam B.V.] heeft gewerkt en ook geen documenten heeft overgelegd die bewijzen dat hij ziek is geworden toen hij in Nederland werknemer was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen waarom het Uwv in het geval van appellant in redelijkheid niet van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat het voor rekening van appellant komt dat hij niet meer beschikt over documenten met betrekking tot zijn ziekte en arbeidsverleden.

3.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij destijds, toen hij in Nederland werkzaam was, ziek is geworden en sindsdien ziek is gebleven. Hij heeft met betrekking tot zijn aanvraag voor een WAO-uitkering gesteld dat hij alle benodigde gegevens heeft verstrekt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in de omstandigheid dat mr. A. el Idrissi eerst daags voor de zitting door appellant is benaderd om hem te vertegenwoordigen, geen reden gezien om, zoals door

mr. A. el Idrissi was verzocht, de behandeling van de zaak uit te stellen. De Raad overweegt daartoe dat de kennisgeving voor de behandeling ter zitting op 23 oktober 2013 aan appellant is verzonden, zodat appellant ruimschoots tijd heeft gehad om zich tot een advocaat te wenden en ook op een eerder moment een verzoek tot uitstel had kunnen worden ingediend.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv niet over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan en dat de door het Uwv bij appellant opgevraagde gegevens noodzakelijk zijn om zijn recht op een WAO-uitkering te kunnen beoordelen. De hiertoe strekkende overwegingen maakt de Raad tot de zijne. De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en K. Wentholt en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.P. Ketting

QH