Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-4269 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 3
Participatiewet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/404 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman

Uitspraak

13/4269 WWB, 13/6785 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

9 juli 2013, 13/1441 (aangevallen uitspraak 1) en van 3 december 2013, 13/4405 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.H. Sanders, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.T.M. Holleman, A.A.G. Overink-Vlaanderen en K.T.P. Janssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 september 2004 bijstand op grond van de Wet werk en Bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke melding dat appellante samen met haar kinderen bij [naam] (E) woont, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, bankafschriften van appellante onderzocht, waarnemingen verricht, getuigen gehoord en appellante en E verhoord. Appellante staat sinds 17 april 1997 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente [gemeente] ingeschreven op het adres[adres 1] (uitkeringsadres). E staat in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2]. De sociale recherche heeft in beide woningen een schouw verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 augustus 2012.

1.3.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 31 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2013 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2012 te beëindigen (lees: in te trekken). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken aan het college, een gezamenlijke huishouding met E voert.

1.4.

Aangezien uit het onderzoek van de sociale recherche was gebleken dat de kinderen van appellante beschikken over bankrekeningen, die appellante niet heeft gemeld bij het college, heeft het college appellante bij brieven van 14 en 28 december 2012 in de gelegenheid gesteld om alle bankafschriften van rekeningnummer eindigend op [nummer 1] en rekeningnummer eindigend op [nummer 2] op naam van de zoon van appellante over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2012 te overleggen. Wanneer deze rekening na 1 september 2004 is geopend, dient appellante een bewijs van het openen van de rekening en de afschriften vanaf de ingangsdatum van de rekening te verstrekken. Verder heeft het college appellante gevraagd om alle bankafschriften van de rekening eindigend op [nummer 3] op naam van de dochter van appellante over dezelfde periode te overleggen.

1.5.

Appellante heeft bij brieven van 20 december 2012 en 3 januari 2013 - samengevat - verklaard dat het gelet op de kosten van het opvragen van bankafschriften van vijf euro per afschrift en het ontbreken van inkomen het voor haar niet mogelijk is de gevraagde afschriften over te leggen. Appellante heeft daarbij aan het college toestemming gegeven om de gegevens bij de bank op te vragen.

1.6.

Het college heeft vervolgens bij besluit van 22 januari 2013 de bijstand over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2012 ingetrokken. Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 125.631,79.

1.7.

Bij besluit van 5 juni 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 22 januari 2013 en 7 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van bankrekeningen op naam van haar ten laste komende kinderen en de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

aangevallen uitspraak 1: gezamenlijke huishouding

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastende besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.

4.4.

Appellante en E stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. De vraag waar iemand hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.1.

Anders dan appellante heeft betoogd, bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf in beide woningen. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring die appellante tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Appellante heeft - samengevat - verklaard dat zij iedere dag samen met haar dochter in de woning van E slaapt en haar dochter ’s ochtends vanuit die woning naar school brengt. ’s Avonds kookt zij in haar eigen woning op het uitkeringsadres, waar zij samen met haar dochter en zoon de maaltijd gebruikt. Gemiddeld vier keer per week eet E mee. Na het eten vertrekt E naar zijn eigen woning. Rond acht uur ’s avonds gaan ook appellante en haar dochter naar de woning van E. Verder douchen appellante en haar dochter in de woning van E en maken daar onder meer gebruik van de wasmachine. Appellante en E beschikken over de sleutel van elkaars woning.

4.5.2.

De verklaring van appellante komt in grote lijnen overeen met de verklaring van E tegenover de sociale recherche. Hij heeft - samengevat - verklaard dat hij de avondmaaltijd samen met appellante en haar kinderen in de woning van appellante gebruikt en dat appellante en haar dochter in zijn woning slapen. Dit laatste zou volgens E zeven van de tien dagen het geval zijn. In zijn woning is een slaapkamer voor de dochter en een slaapkamer voor de zoon van appellante ingericht.

4.6.

De verklaringen van appellante en E bieden voorts voldoende feitelijke grondslag voor het aannemen van de wederzijdse zorg. Appellante heeft, onder meer, verklaard dat E haar helpt bij de zorg voor haar dochter. Ook ruimt E het wasgoed van appellante en haar dochter, indien zij gebruik maken van de wasmachine in de woning van E, op. Appellante maakt gebruik van een auto van E en betaalt de verzekering en wegenbelasting van die auto. Appellante kookt en verzorgt ook de maaltijd voor E. Verder heeft appellante E geholpen zijn gokverslaving te beteugelen door gelden op haar bankrekening te storten en over te maken naar een rekening van het internet casino waar E dan mee gokte. Appellante heeft ook gebruik gemaakt van de pas van E om inkopen te doen bij de Sligro.

4.7.

Uit 4.1. tot en met 4.6 volgt dat appellante en E in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat appellante en E gezamenlijk in beide woningen hebben verbleven omdat appellante hulp nodig had bij de zorg voor haar dochter, is in dit verband niet relevant. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak 1 zal worden bevestigd.

aangevallen uitspraak 2: bankrekeningen

5.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2004 tot 1 juli 2012.

5.2.

Zoals in 4.2 is overwogen rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan. Dit geldt voor de gehele te beoordelen periode.

5.3.

Uit de door de sociale recherche onderzochte bankafschriften over de periode 27 oktober 2009 tot 30 januari 2012 van de wel bij het college bekende bankrekening op naam van appellante blijkt dat op deze bankrekening meerdere bedragen variërend van € 20,- tot

€ 1.500,- vanaf de drie in 1.6 genoemde bankrekeningen op naam van de kinderen van appellante zijn bijgeschreven dan wel naar deze rekeningen zijn overgemaakt. Niet in geschil is dat appellante van de bankrekening eindigend op nummer [nummer 1] op naam van haar zoon melding heeft gemaakt bij het college. Van de andere twee bankrekeningen op naam van haar kinderen, te weten de rekening eindigend op nummer [nummer 2] op naam van haar zoon en van de rekening eindigend op nummer [nummer 3] op naam van haar dochter, staat echter vast dat appellante deze niet heeft gemeld bij het college.

5.4.

Appellante heeft verklaard dat haar zoon zelf een tweede bankrekening heeft geopend en dat haar dochter kort na haar geboorte een bankrekening heeft gekregen. Appellante heeft verder verklaard in het kader van een heronderzoek in juni 2011 bankafschriften van de rekeningen van haar kinderen te hebben overgelegd. Uit de opmerking in het mutatierapport van de consulent van appellante van 7 januari 2013 blijkt dat appellante toen inderdaad bankafschriften van haar kinderen heeft verstrekt, maar daaruit blijkt echter niet van welke bankrekening afschriften zijn verstrekt terwijl uit diezelfde opmerking blijkt dat de overgelegde bankafschriften niet nader zijn onderzocht. Appellante heeft naar aanleiding van de brieven van 14 en 28 december 2012 geen bankafschriften overgelegd en alleen gesteld dat zij niet (meer) de beschikking kan krijgen over de bankafschriften over de gevraagde periode.

5.5.

Appellante heeft, zoals de gemachtigde van het college desgevraagd ter zitting heeft erkend, ten aanzien van de bankrekening op naam van de dochter van appellante eindigend op [nummer 3] aannemelijk gemaakt dat deze eerst na de geboorte van de dochter op [datum] 2007 is geopend. Van de bankrekening van de zoon van appellante eindigend op [nummer 2] heeft het college ter zitting verklaard dat bij het college niet bekend is met ingang van welke datum deze is geopend. Uit de onder 5.2 genoemde bankafschriften staat wel vast dat deze rekening in ieder geval vanaf oktober 2009 in gebruik was. In het dossier zijn geen aanknopingspunten voorhanden dat deze bankrekening reeds eerder in gebruik is genomen. Ten aanzien van de periode van 1 september 2004 tot het openen van de bankrekening op naam van de dochter, welk moment de Raad gelet op de verklaring van appellante vaststelt op 1 juli 2007, heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellante bankrekeningen op naam van haar kinderen heeft verzwegen. Het standpunt van het college dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2007 berust dan ook op onvoldoende feitelijke grondslag.

5.6.1.

Ten aanzien van de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 staat gelet op 5.5 vast dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van deze twee bankrekeningen op naam van haar kinderen.

5.6.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

5.6.3.

Het saldo en de mutaties op bankrekeningen die op naam staan van in de bijstand begrepen minderjarige kinderen, zijn van belang voor de bepaling van het recht op bijstand. Het college heeft met wat in 5.3 is vastgesteld reeds aannemelijk gemaakt dat in dit geval het recht op bijstand niet is vast te stellen doordat appellante het bestaan van de rekeningen op naam van de kinderen heeft verzwegen.

5.6.4.

Het is dus aan appellante om aannemelijk te maken dat zij in de te beoordelen periode desondanks recht heeft op (aanvullende) bijstand. Daarin is zij niet geslaagd. Appellante heeft geen bankafschriften van rekeningen op naam van haar kinderen overgelegd. De stelling van appellante dat zij niet de beschikking kan krijgen over de bankafschriften, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Dat aan het opvragen van bankafschriften mogelijk kosten zijn verbonden, komt voor rekening en risico van appellante. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het college heeft gesteld dat appellante voor eventueel te maken kosten bijzondere bijstand zou kunnen aanvragen.

5.7.

Uit 5.3 en 5.6 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij, wegens het niet verstrekken door appellante van de benodigde informatie, het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 niet kan vaststellen. Dit betekent dat het college bevoegd is de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2007 in te trekken en de over de periode van 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. De wijze van uitoefening van die bevoegdheden is niet bestreden.

5.8.

Uit 5.1 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep deels slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 2 niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het ziet op de terugvordering en voor zover het ziet op de intrekking over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2007 en het besluit van 22 januari 2013 in zoverre herroepen. Het gaat daarna nog slechts om een financiële uitwerking, namelijk de berekening van de terugvordering over de periode waarover de intrekking standhoudt. Deze zal naar verwachting geen discussie opleveren. Daarom wordt afgezien van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - definitieve geschillenbeslechting. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen met

inachtneming van deze uitspraak.

Slot

6. Aanleiding bestaat voor een veroordeling van het college in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 487,- in hoger beroep voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 juni 2013, voor zover betrekking hebbend op de intrekking over

de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2007 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 22 januari 2013 voor zover betrekking hebbend op de intrekking

over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2007 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het besluit van 5 juni 2013;

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar

gericht tegen het besluit van 7 februari 2013 te beslissen;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.461,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 162,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD