Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-4846 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn in bestuurlijke en rechterlijke fase. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4846 BESLU, 13/6252 BESLU

Datum uitspraak: 7 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden, minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

13 januari 2013, 11/509, in het geding tussen verzoeker en het Uwv.

Bij uitspraak van 4 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2998) heeft de Raad beslist op het hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder nummers 13/4846 BESLU en 13/6252 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft de Raad, naast het Uwv, ook de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

De Staat heeft afgezien van het geven van een schriftelijke uiteenzetting en zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

Het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Verzoeker heeft hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 4 september 2013 heeft de Raad vastgesteld dat de procedure vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van 8 april 2009 tot aan de datum van de aangevallen uitspraak van 21 januari 2013 vijf jaar en ruim negen maanden heeft geduurd. Hierbij is overwogen dat de eerste procedure bij de rechtbank ruim acht maanden heeft geduurd, waarmee geen sprake is van een te lange behandelingsduur bij de rechtbank. Verder is overwogen dat de periode tussen de eerste uitspraak van de rechtbank van 22 november 2010 en het nadere besluit van 14 februari 2011 voor rekening van het Uwv dient te blijven.

2.1.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden met een jaar en ruim negen maanden en dat hieraan een schadevergoeding dient te worden gekoppeld van € 2.000,-.

2.2.

Namens het Uwv is erkend dat de redelijke termijn van de bezwaarfase, berekend vanaf

8 april 2009 tot aan de datum van het besluit op bezwaar van 14 februari 2011, is overschreden met bijna anderhalf jaar, welke overschrijding voor rekening van het Uwv komt. Het Uwv heeft zich dan ook bereid verklaard om aan appellant een schadevergoeding toe te kennen van € 1.500,-.

2.3.

De Staat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het Uwv heeft de door de Raad in zijn uitspraak van 4 september 2013 vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn tot aan het nadere besluit van 14 februari 2011 terecht voor zijn rekening genomen. Het Uwv wordt dan ook veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade van verzoeker tot een bedrag van € 1.500,-.

3.2.

Zoals overwogen onder 5.17 in de uitspraak van 4 september 2013 dient naar het oordeel van de Raad voor de aanvang van de tweede behandeling door de rechtbank te worden uitgegaan van de dag na de datum van dit nieuwe besluit op bezwaar, te weten 15 februari 2011. Vanaf die datum tot de datum van de aangevallen uitspraak van 21 januari 2013 zijn een jaar en ruim 11 maanden verstreken. Dit betekent dat in de tweede procedure bij de rechtbank de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden, welke overschrijding dan ook voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt dan ook veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van € 500,-.

3.3.

Er is aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 243,50 (0,5 punt voor het indienen van de reactie van 19 november 2013) voor verleende rechtsbijstand, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling

aan verzoeker van een schadevergoeding tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.500,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) in proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 121,75-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 121,75-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) P. Boer

HD