Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-3743 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag omdat uit onderzoek is gebleken dat appellant nog steeds bezigheden verricht voor zijn (voormalig) eigen bedrijf. Onvoldoende bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3743 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 mei 2013, 13/177 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn medegemachtigde [naam medegemachtigde]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Takens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is begin 2011 gestart met zijn onderneming [naam bedrijf]([bedrijf]).

Op 1 maart 2011 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), onder meer voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 14 juni 2012 deze bijstand aan appellant verleend over de periode van 1 maart 2011 tot 1 juli 2012. Daaraan heeft het college de voorwaarde verbonden dat appellant zijn activiteiten als zelfstandige uiterlijk op 30 juni 2012 zal hebben beëindigd, aangezien het college de onderneming van appellant als niet-levensvatbaar heeft beoordeeld.

1.3.

Bij e-mail van 18 juni 2012 en een brief van gelijke datum heeft appellant aan het college te kennen gegeven dat de termijn tot 30 juni 2012 te kort is om de geplande overname van zijn bedrijf aan de opvolgend eigenaresse, [naam medegemachtigde] ([naam medegemachtigde]), te regelen en heeft appellant het college verzocht hem daartoe een uitstel te verlenen van maximaal drie maanden.

1.4.

Op 20 juni 2012 heeft appellant zich bij het college gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB met ingang van 1 juli 2012. Op 24 juli 2012 heeft appellant daartoe een aanvraagformulier bij het college ingediend. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij per 1 juli 2012 is gestopt met zijn onderneming.

1.5.

Bij besluit van 3 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 24 juli 2012 afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant nog steeds bezigheden verricht voor zijn (voormalig) eigen bedrijf.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het voor het college niet mogelijk was vast te stellen dat appellant geen werkzaamheden meer verrichtte voor het bedrijf [bedrijf].

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspaak gekeerd. Hij voert aan dat hij zijn bedrijf per 1 juli 2012 heeft overgedragen aan [naam medegemachtigde] en dat hij na die datum uitsluitend nog datgene heeft gedaan wat nodig was ter uitvoering van de overdracht. Ten onrechte leidt het college uit die overdrachtswerkzaamheden af dat appellant is doorgegaan met zijn werkzaamheden. Weliswaar wordt terecht vastgesteld dat de opgeslagen goederen zich ten tijde van de aanvraag en daarna nog op het perceel van appellant bevonden, maar er was nog geen vervangende opslagruimte gevonden door de opvolgend eigenaresse [naam medegemachtigde]. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de onder 1.3 genoemde e-mail van 18 juni 2012 en op een brief van [naam medegemachtigde] van 13 november 2012, waarin zij verklaart dat zij het bedrijf van appellant heeft overgenomen, dat de overdracht in feitelijke zin nog wat tijd vergt omdat zij nog geen plek heeft om alle spullen op te slaan en dat mensen die via de website contact zoeken naar haar worden doorgeleid. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van psychische problemen niet in staat is geweest de overdracht van zijn bedrijf tijdig te regelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de periode vanaf de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de periode van

20 juni 2012 tot en met 3 oktober 2012.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn financiële situatie en over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt dat appellant onduidelijkheid heeft laten bestaan over zijn betrokkenheid bij zijn (voormalig) eigen bedrijf [bedrijf]. Appellant betwist niet dat ten tijde van de aanvraag de opslag van goederen voor het bedrijf [bedrijf] nog steeds plaatsvond in en bij zijn woning. Uit het door het college naar aanleiding van de aanvraag ingestelde onderzoek is verder naar voren gekomen dat appellant nog steeds reclame maakt voor zijn bedrijf op het internet en dat de bedrijfsvoertuigen nog steeds op naam van appellant geregistreerd staan. Het college heeft voorts op 2 oktober 2012 geconstateerd dat verschillende aan het bedrijf [bedrijf] verbonden websites (onlinepartyverhuur.nl en kelderhuis.nl) nog steeds verwijzen naar de naam, het e-mailadres, de telefoonnummers en het huisadres van appellant. Verder heeft het college vastgesteld dat op de website giftcollection.nl staat dat voor vragen of reserveringen gebeld kan worden met appellant en dat goederen kunnen worden afgehaald aan het adres van appellant.

4.4.

Wat [naam medegemachtigde] in haar schriftelijke verklaring van 13 november 2012 over de overname van het bedrijf van appellant en de problemen rond de feitelijke overdracht ervan heeft geschetst en ter zitting van de Raad nader heeft verklaard is in het licht van de onderzoeksbevindingen onvoldoende om tot een ander dan het in 4.3 gegeven oordeel te komen. De omstandigheid dat appellant het college bij e-mail van 18 juni 2012 heeft verzocht hem uitstel te verlenen leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat uit de gedingstukken, afgezien van een registratie van beëindiging van het bedrijf [bedrijf] bij de Kamer van Koophandel, niet blijkt dat appellant zich concreet heeft ingespannen om de bestaande verwevenheid met het bedrijf [bedrijf] zo veel mogelijk weg te nemen. Door dit na te laten heeft appellant het risico genomen dat de omvang van zijn betrokkenheid bij en de feitelijke overname van zijn bedrijf door [naam medegemachtigde] niet kunnen worden geverifieerd. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld aan de hand van medische stukken, dat zijn medische situatie in de te beoordelen periode zodanig ernstig was dat hij niet in staat was de overdracht van zijn bedrijf te regelen.

4.5.

Uit wat in 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

HD