Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-5963 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde bijstandaanvraag. Geen relevante wijziging in de omstandigheden sinds de afwijzing van de eerdere bijstandsaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5963 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 september 2013, 13/545 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn medegemachtigde [naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Takens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 20 juni 2012 heeft appellant zich gemeld voor een aanvraag om bijstand met ingang van 1 juli 2012. Bij besluit van 3 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

14 december 2012, heeft het college deze aanvraag van appellant om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat appellant nog steeds bezigheden verricht voor zijn (voormalige) eigen bedrijf. Bij uitspraak van heden heeft de Raad de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van

14 december 2012, bevestigd.

1.2.

Op 13 november 2012 heeft appellant zich opnieuw bij het college gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college onderzoek verricht op het internet. Gelet op de bevindingen van dit onderzoek heeft het college vervolgens op 25 januari 2013 aan het adres van appellant een huisbezoek afgelegd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 januari 2013.

1.3.

Bij besluit van 25 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn betrokkenheid bij het bedrijf[bedrijf] waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen: “De rechtbank stelt vast dat uit het huisbezoek de voortdurende verwevenheid van eiser met het bedrijf [bedrijf] is gebleken. Voor het huis stond een aanhangwagen die blijkbaar ten behoeve van een bestelling werd beladen. Ter zitting heeft getuige [naam] bevestigd dat eiser die dag de auto met aanhangwagen zou rijden omdat zij zelf niet het benodigde rijbewijs heeft. In het huis van eiser hebben de medewerkers van verweerder twee agenda’s van mevrouw [naam], meerdere dozen met spullen van het bedrijf en recente post gericht aan het bedrijf aangetroffen. Voorts lagen in de kluis die volgens eiser nog uitsluitend door

mevrouw [naam] zou worden gebruikt, ook de kentekenbewijzen van voertuigen van eiser.”

De rechtbank heeft geconcludeerd dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat appellant de bedrijfsvoering van het bedrijf nog steeds ondersteunde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert in de eerste plaats aan dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting nu hij zijn bedrijf per 1 juli 2012 heeft overgedragen aan Korf en hij na die datum uitsluitend nog datgene heeft gedaan wat nodig was ter uitvoering van de overeenkomst tot overdracht. Ten onrechte leidt het college uit die overdrachtswerkzaamheden af dat appellant is doorgegaan met zijn werkzaamheden. Verder voert appellant aan dat zijn advocaat ten onrechte niet is uitgenodigd om het huisbezoek op 25 januari 2013 bij te wonen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de periode vanaf de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de periode van

13 november 2012 tot en met 25 januari 2013.

4.2.

In een geval, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat inmiddels wel wordt voldaan aan de vereisten om voor algemene of bijzondere bijstand in aanmerking te komen.

4.3.

De Raad onderschrijft de onder 2 weergegeven conclusie van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Appellant heeft niet aangetoond dat ten tijde van de hier voorliggende aanvraag sprake was van een relevante wijziging in de omstandigheden sinds de afwijzing van de bijstand met ingang van 30 juni 2012. De ter zitting van de Raad door appellant nog gegeven verklaring voor de op 25 januari 2013 voor zijn woning waargenomen beladen aanhangwagen, te weten, dat hij in het kader van de bedrijfsoverdracht bezig was spullen naar een andere locatie te verplaatsen, komt in het licht van de bevindingen in het rapport van 25 januari 2013, niet geloofwaardig over. Daar komt bij dat appellant deze verklaring in eerdere instanties niet heeft aangevoerd.

4.4.

Het betoog van appellant, dat zijn advocaat ten onrechte niet is uitgenodigd om het huisbezoek op 25 januari 2013 bij te wonen, slaagt niet. De aanwezigheid van de gemachtigde bij het huisbezoek is niet van een zodanig zwaarwegend belang dat daarvoor het belang van het college om onmiddellijk de door appellant opgegeven woon- en leefsituatie feitelijk te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijziging aan te brengen, behoefde te wijken.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

HD