Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-1648 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen zorgverzekering. Bestuurlijke boete. Het Zorginstituut heeft het bezwaar van 19 oktober 2011 terecht aangemerkt als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit 1 september 2011. Beroep op artikel 9 EVRM faalt. Het in artikel 9 van het EVRM gegarandeerde recht strekt niet zover dat het een ieder in het algemeen zou vrijstaan aan een door de wetgever vastgesteld wettelijk voorschrift verbindende kracht ten aanzien van hem te ontzeggen op grond van een daartegen bij hem bestaand bezwaar ontleend aan zijn levensovertuiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1648 ZVW, 13/2227 ZVW

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2013, 12/1476 (aangevallen uitspraak 1) en 12 februari 2013, 12/2602 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per

1 april 2014 overgegaan naar het Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroepen ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Zorginstituut heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Namens appellant is

mr. Bakker verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorginstituut heeft appellant bij brief van 3 mei 2011 gemaand binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Appellant is erop gewezen dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot het opleggen van een boete van ongeveer € 350,- en dat hij een tweede boete krijgt, als hij na drie maanden nog steeds geen zorgverzekering heeft afgesloten.

1.2.

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het Zorginstituut aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 343,74. Daarbij is hij opnieuw gewezen op de gevolgen van het onverzekerd blijven. Bij brief van 23 september 2011 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), onder verwijzing naar het opleggen van een bestuurlijke boete door het Zorginstituut, appellant een acceptgiro gestuurd voor de betaling van de bestuurlijke boete.

1.3.

Namens appellant heeft mr. Bakker op 19 oktober 2011 bij het Zorginstituut bezwaar gemaakt tegen de brief van het CJIB. Zij heeft in het bezwaarschrift te kennen gegeven dat appellant het besluit over de bestuurlijke boete nooit heeft ontvangen en verzocht om toezending van het besluit.

1.4.

Bij brief van 26 januari 2012, geadresseerd aan het postadres van appellant in [plaats], heeft het Zorginstituut onder meer een afschrift van het besluit van 1 september 2011 aan

mr. Bakker gestuurd. Op 29 januari 2012 heeft appellant aan het Zorginstituut geschreven dat het besluit van 1 september 2011 hem met grote vertraging heeft bereikt. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat dit besluit niet naar het juiste adres is gestuurd ([postbus]), maar naar het adres [adres]. Daar heeft hij geen postbus of brievenbus ter beschikking.

1.5.

Op 8 februari 2012 heeft mr. Bakker het Zorginstituut opnieuw verzocht om toezending van het besluit. Daarbij heeft zij te kennen gegeven dat appellant haar heeft laten weten dat het Zorginstituut (opnieuw) een aan haar gerichte brief naar het postadres van appellant heeft gestuurd. Dit terwijl zij het Zorginstituut reeds bij brief van 17 november 2011 heeft gemeld dat appellant domicilie heeft gekozen op haar kantooradres. Bij brief van 13 februari 2012 aan mr. Bakker heeft het Zorginstituut een afschrift van het besluit van 1 september 2011 naar het postadres van haar kantoor gestuurd.

1.6.

Bij besluit van 15 mei 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorginstituut ten grondslag gelegd dat appellant als ingezetene van Nederland verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), zodat hij verplicht is een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) af te sluiten. Nu hij dat niet heeft gedaan binnen drie maanden na de aanmaningsbrief van 3 mei 2011 is de boete terecht opgelegd. Verder staat appellant niet bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) geregistreerd als gemoedsbezwaarde en heeft hij kenbaar gemaakt zich ook niet als gemoedsbezwaarde te willen aanmelden, zodat hij niet kan worden ontheven van de zorgverzekeringsplicht.

1.7.

Bij besluit van 9 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 september 2012 (bestreden besluit 2), heeft het Zorginstituut appellant een tweede boete van € 356,49 opgelegd, omdat hij op 1 december 2011, te weten drie maanden na het besluit van

1 september 2011, nog geen zorgverzekering heeft afgesloten.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De rechtbank twijfelt niet aan de mededeling van het Zorginstituut dat het besluit van 1 september 2011 voor of op die datum is verzonden. De blote ontkenning dat appellant het besluit van 1 september 2011 niet (tijdig) heeft ontvangen komt niet aannemelijk voor, omdat appellant in zijn brief van 29 januari 2012 zelf te kennen heeft gegeven dit besluit met grote vertraging te hebben ontvangen. Bovendien kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat het Zorginstituut het besluit naar het verkeerde adres heeft gestuurd, omdat het adres [adres] overeenkomt met het adres waarop appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven. De bezwaartermijn is op 14 oktober 2011 verstreken, zodat het bezwaarschrift van 19 oktober 2011 niet tijdig is ingediend. Nu gesteld noch gebleken is dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, heeft het Zorginstituut het bezwaar ten onrechte ontvankelijk verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij dient de vrijheid te hebben om wel of niet een zorgverzekering af te sluiten. Aan appellant komt het recht toe om geen zorgverzekering af te sluiten. Hij wil niet verzekerd zijn voor behandelingen die hij niet wil. Dit is in strijd met zijn levensovertuiging en met het internationale recht. Verder kan appellant niet voldoen aan de financiële verplichtingen die zijn verbonden aan het afsluiten van een zorgverzekering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362.

Zaak 13/2227 ZVW

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423) is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen, indien de geadresseerde stelt een niet aangetekend verzonden besluit niet te hebben ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.

4.2.

Namens het Zorginstituut is tijdens de zitting van de Raad erkend dat het ten tijde in geding niet beschikte over een deugdelijke verzendadministratie. De Raad is daarom van oordeel dat het Zorginstituut de verzending van het besluit van 1 september 2011 niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad is verder van oordeel dat de door de rechtbank genoemde brief van appellant van 29 januari 2012 onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat appellant het besluit van 1 september 2011 heeft ontvangen na verzending daarvan op of omstreeks die datum. Appellant heeft op 29 januari 2012 geschreven dat het besluit van 1 september 2011 hem met grote vertraging heeft bereikt. Gelet op de toezending van een afschrift van dat besluit door het Zorginstituut bij brief van

26 januari 2012 houdt de Raad het ervoor dat appellant in zijn brief van 29 januari 2012 doelt op het ontvangen van het afschrift en dat appellant vasthoudt aan het niet hebben ontvangen van het originele besluit van 11 september 2011 na verzending daarvan op of omstreeks die datum. Hieruit volgt dat het Zorginstituut het bezwaar van 19 oktober 2011 terecht heeft aangemerkt als een tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit 1 september 2011.

4.3.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Dit betekent dat aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep beoordelen. Daarvoor wordt verwezen naar wat hierna in 4.4 tot en met 4.7 wordt overwogen, waarbij in 4.6 en 4.7 moet worden gelezen artikel 9b, tweede lid, van de Zvw, dat betrekking heeft op het, nadat hij daartoe was gemaand niet (tijdig) tegen ziektekosten verzekerd zijn.

Zaak 13/1648 ZVW

4.4.

De Raad begrijpt de beroepsgrond van appellant over de vrijheid om al dan niet een zorgverzekering af te sluiten zo dat het zorgverzekeringsstelsel op dit punt in strijd komt met artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst garandeert.

4.5.

In lijn met vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

21 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5658) wordt geoordeeld dat het in artikel 9 van het EVRM gegarandeerde recht niet zover strekt dat het een ieder in het algemeen zou vrijstaan aan een door de wetgever vastgesteld wettelijk voorschrift verbindende kracht ten aanzien van hem te ontzeggen op grond van een daartegen bij hem bestaand bezwaar ontleend aan zijn levensovertuiging. Voor zover sprake zou zijn van een inbreuk op deze bepaling wordt geoordeeld dat die, gelet op het solidariteitsbeginsel dat aan het zorgverzekeringsstelsel ten grondslag ligt, gerechtvaardigd is. Verwezen wordt naar de Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel opsporing van verzekering onverzekerden zorgverzekering (TK 2009-2010, 32 150, nr. 3, p4) en hetgeen over de solidariteitsgedachte in de Zvw is neergelegd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010 in de zaak Van Delft e.a./College voor zorgverzekeringen (C-345/09, overweging 76). Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.6.

De Raad stelt vast dat appellant heeft erkend dat hij ten tijde van de boeteoplegging niet tegen ziektekosten verzekerd was, terwijl daartoe wel een verplichting bestond. Dat betekent dat het Zorginstituut ingevolge artikel 9c, tweede lid, van de Zvw gehouden was een bestuurlijke boete op te leggen, behoudens het bepaalde in de artikelen 5:5 en 5:41 van de Awb.

4.7.

Voor toepassing van artikel 5:5 van de Awb hoefde het Zorginstituut geen aanleiding te zien, nu geen rechtvaardigingsgronden als bedoeld in dat artikel naar voren zijn gebracht. Voor toepassing van artikel 5:41van de Awb hoefde het Zorginstituut in dit geval evenmin aanleiding te zien. Wat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot de conclusie dat hem geen verwijt zou kunnen worden gemaakt dat hij zich, nadat hem een boete was opgelegd, niet (tijdig) tegen ziektekosten heeft verzekerd. Voor wat betreft de financiële verplichtingen die zijn verbonden aan het afsluiten van een zorgverzekering, heeft appellant de mogelijkheid om bij de Belastingdienst een zorgtoeslag aan te vragen, indien de betaling van de premie bij hem op problemen stuit.

Slotoverwegingen

4.8.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep in zaak

13/2227 ZVW slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1, met uitzondering van de beslissingen over proceskosten en griffierecht voor vernietiging in aanmerking komt. Uit wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is.

4.9.

Uit wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep in zaak

13/1648 ZVW niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Aanleiding bestaat om het Zorginstituut te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak 1, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2012 ongegrond;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2;

- veroordeelt het Zorginstituut in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat het Zorginstituut aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) V. van Rij

HD