Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
12-6843 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat de verbetering van de belastbaarheid van betrokkene niet is uitgesloten en om die reden niet van duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA kan worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6843 WIA, 12/6844 WIA

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

27 november 2012, 12/811 en 12/915 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene 1] te [woonplaats] (betrokkene 1)

[betrokkene 2] te [plaats] (betrokkene 2)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 25 juli 2014. Namens appellant is verschenen mr. P.J. Reith. Gedaagden zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij betrokkene 1 is de ziekte van Besnier Boeck (sarcoïdose) vastgesteld. Hij is op

7 september 2010 (opnieuw) uitgevallen met vermoeidheidsklachten. Op 26 juli 2011 heeft betrokkene 1 appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), met toepassing van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van die wet, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn.

1.2.

Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft appellant afwijzend op dit verzoek beslist, onder de overweging dat betrokkene 1 niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit is een rapport van 15 augustus 2011 van de verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag gelegd. Deze beschikte over informatie van de behandelend longarts, waaruit naar voren komt dat het ziektebeeld al meer dan twee jaar bestaat, er tot dan toe geen duidelijke spontane trend tot verbetering is gezien en dat de longarts de kans op herstel van de extreme vermoeidheid in de komende jaren laag inschat. Betrokkene 1 heeft afgezien van behandeling met prednison. Op basis van deze gegevens is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat niet alle behandelopties uitgeput zijn en dat er mogelijkheden aanwezig zijn om te komen tot een klachtenafname.

1.3.

Betrokkenen hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 augustus 2011. Zij hebben gesteld dat het gebruik van prednison door de behandelend specialist is afgeraden in verband met de hartproblemen van betrokkene 1.

1.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van een brief van bedrijfsarts A.H.J.A.M. van Buuren van 10 november 2011 en van longarts prof. dr. J.C. Grutters van

29 september 2011. In een rapport van 22 december 2011 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat niet vaststaat dat verbetering is uitgesloten. Hij merkt op dat uit de literatuur bekend is dat sarcoïdose kan genezen. Met verwijzing naar het rapport van

22 december 2011 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant bij afzonderlijke besluiten van 13 januari 2012 (bestreden besluiten) de bezwaren van betrokkenen ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant, onder verwijzing naar een rapport van 28 mei 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een notitie van een door mr. Reith op 15 februari 2012 met longarts Overbeek gevoerd telefoongesprek, zijn standpunt gehandhaafd dat sarcoïdose spontaan kan genezen en dat verbetering niet is uitgesloten.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkenen gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat een ongespecificeerde verwijzing naar literatuur niet toereikend is om te kunnen concluderen dat herstel niet is uitgesloten. De rechtbank heeft van belang geacht dat de behandelend longarts in de brief van 8 juli 2011 heeft vermeld dat er na meer dan twee jaar nog steeds klachten zijn en dat de longarts de kans op herstel van de extreme vermoeidheid in de komende jaren laag inschat. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de omstandigheid dat er na ruim twee jaar nog steeds onverminderd klachten zijn onvoldoende heeft meegewogen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Daarvan was geen sprake gelet op de informatie van de behandelend sector. Uit de brief van longarts Grutters van 8 juli 2011 blijkt niet dat verbetering uitgesloten wordt geacht. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat niet is voldaan aan de vereisten voor toekenning van een WIA-uitkering met verkorte wachttijd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geding is de vraag of appellant terecht en op goede gronden de aanvraag van betrokkene 1 om een uitkering op grond van de Wet WIA na een verkorte wachttijd heeft afgewezen.

4.2.

Uitgangspunt is dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Dit is tot uitdrukking gebracht door in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA uitdrukkelijk slechts te verwijzen naar het tweede lid van artikel 4 en niet ook naar het derde lid of naar artikel 4, zonder verdere beperking. Dit betekent dat appellant in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is, kan dan ook geen sprake zijn van toekenning van een verkorte wachttijd. De systematiek van de Wet WIA brengt dan tevens mee dat de beoordeling of een verkorte wachttijd aan de orde is, geschiedt op basis van een strikter criterium dan aan de orde is in geval de volledige wachttijd van 104 weken is verstreken

(zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6267). Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA is het einde van de verkorte wachttijd niet eerder bereikt dan tien weken na indiening van de aanvraag om uitkering. Datum in geding is dan ook 4 oktober 2011.

4.3.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsartsen van appellant betrokkene 1 hebben gezien noch onderzocht en dat er geen enkele inschatting is gemaakt van zijn belastbaarheid. Uit de beschikbare informatie blijkt dat bij betrokkene 1 sprake is van extreme vermoeidheid, die volgens longarts Grutters met hoge mate van waarschijnlijkheid samenhangt met de diagnose sarcoïdose. Longarts K.W. Maas heeft in zijn brief van 30 december 2010 beschreven dat de klachten, waaronder extreme vermoeidheid, twee jaar geleden zijn begonnen. Vervolgens heeft longarts Grutters in een brief van 8 juli 2011 de kans op herstel van de extreme vermoeidheid in de komende jaren laag ingeschat, omdat er tot dan toe geen duidelijke, spontane trend tot verbetering was. In zijn brief van 29 september 2011 heeft Grutters ten slotte geschreven dat de activiteitsparameters voor sarcoïdiose onveranderd hoog waren.

4.4.

Uit de beschikbare informatie kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid van betrokkene 1 niet is uitgesloten. De verwijzing van appellant naar een telefoonnotitie van 15 februari 2012, waarin is vermeld dat longarts Overbeeke heeft beaamd dat verbetering niet is uitgesloten, is onvoldoende. Verder is de verwijzing naar literatuur van algemene aard en bij gebreke van nader onderzoek niet toegesneden op een individuele beoordeling van de gezondheidstoestand van betrokkene 1.

4.5.

De Raad is dan ook van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verbetering van de belastbaarheid van betrokkene 1 ten tijde in geding niet is uitgesloten en om die reden niet van duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA kan worden gesproken.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dan van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M. Crum

GdJ