Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
13-6249 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om functieonderhoud. Het afbreukrisico van appellants werkzaamheden als veiligheidsadviseur is voldoende in de functietypering neergelegd. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de werkzaamheden wezenlijk afweken van de voor hem geldende functiebeschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6249 AW

Datum uitspraak: 6 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 oktober 2013, 12/3800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de beheerder van het Korps landelijke politiediensten. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. G.M. Terlingen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Terlingen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en R.M.M. Paulsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de unit Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) in de functie van Expert C, schaal 11.

1.2.

Nadat de korpschef appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LNFP) het voornemen had de functie van Expert C als uitgangspositie voor de toekomstige functie van appellant aan te merken, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van artikel 2 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Bij besluit van 21 september 2011 heeft de korpschef hierop afwijzend beslist. Bij beslissing op bezwaar van 26 juni 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft de korpschef het besluit van 21 september 2011 gehandhaafd. De korpschef heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat de door appellant als veiligheidsadviseur verrichte werkzaamheden binnen de bandbreedte van de organieke functie Expert C vallen, nu deze adviesrol is te rekenen onder 3.2 ‘Prestatie-indicatoren’, subonderdeel ‘Uitvoering’.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) en de Trfp kan de ambtenaar tot en met 23 mei 2011 een aanvraag indienen om, als in de periode van

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 de feitelijk aan hem opgedragen werkzaamheden gedurende ten minste een jaar wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Het is daarbij aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Nu het hier een vaststelling van feiten betreft, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter volgens vaste rechtspraak niet op zijn plaats (CRvB 25 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6876 en CRvB 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:BZ2588).

4.2.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de functietypering het afbreukrisico van appellants werkzaamheden als veiligheidsadviseur voldoende tot uitdrukking is gebracht. Appellant heeft aangevoerd dat bij zijn werkzaamheden als veiligheidsadviseur het afbreukrisico veel hoger is dan bij zijn dagelijkse werkzaamheden als Expert C. Bij de eerstgenoemde werkzaamheden is sprake van meer politieke en maatschappelijke druk. Bovendien zijn bij die werkzaamheden de gevolgen op nationaal niveau zichtbaar, terwijl de gevolgen van zijn dagelijkse werkzaamheden meer op regionaal niveau optreden. De korpschef heeft daarover ter zitting toegelicht dat het afbreukrisico van appellants werkzaamheden als veiligheidsadviseur ziet op mogelijk ernstige schade ten aanzien van het opsporingsproces, terwijl het afbreukrisico van zijn leidinggevende (Expert D), die op basis van appellants adviezen beslissingen neemt en de eindverantwoordelijkheid draagt, ziet op mogelijk ernstige schade ten aanzien van de opsporingsketen. Het afbreukrisico van appellants werkzaamheden als veiligheidsadviseur is daardoor dan ook voldoende in de functietypering neergelegd.

4.2.2.

De Raad ziet geen aanleiding om de korpschef niet in dit betoog te volgen. Weliswaar heeft appellant van doen met een hoog afbreukrisico, maar gelet op de toelichting van de korpschef is het aan de werkzaamheden als veiligheidsadviseur verbonden afbreukrisico niet zodanig dat de functietypering van appellant op dit onderdeel niet zou kunnen worden gehandhaafd. De Raad wijst erop dat het gaat om de vraag of de opgedragen werkzaamheden van veiligheidsadviseur wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functiebeschrijving Expert C, en niet om de vraag of de opdragen werkzaamheden van veiligheidsadviseur wezenlijk afwijken van de feitelijke dagelijkse werkzaamheden van een Expert C. Verder is van belang dat het afbreukrisico zoals omschreven in de functiebeschrijving van Expert C al zeer hoog is en dat de eindverantwoordelijkheid bij zijn leidinggevende ligt. Appellant is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de werkzaamheden wezenlijk afweken van de voor hem geldende functiebeschrijving.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

HD