Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
12-6692 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door niet aan de sociale dienst door te geven dat hij aan de slag is gegaan als schilder. Appellant heeft geen duidelijkheid verschaft over de exacte omvang van zijn werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6692 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2012, 12/2414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Baarn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Kraaikamp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 8 augustus 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond in de periode van 21 september 2010 tot 8 augustus 2011 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met de eenmanszaak[eenmanszaak], met als handelsactiviteiten het uitvoeren van bouw- en schilderswerkzaamheden.

1.2.

Op 22 november 2011 heeft een arbeidsinspecteur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) appellant schilderend aangetroffen bij een woning gelegen aan de [adres]. Appellant heeft tegenover de arbeidsinspecteur verklaard dat hij van beroep schilder is en op 18, 19, 21 en 22 november 2011 werkzaamheden heeft verricht. Appellant zou een maand eerder voor deze klus zijn gevraagd en heeft daarvoor een voorschot ontvangen. Hij verklaarde ook dat hij de werkzaamheden nog niet had gemeld bij de Sociale Dienst Baarn Bunschoten Soest (sociale dienst) en dat hij het pas moet melden wanneer hij geld daarvoor ontvangt.

1.3.

Appellant heeft op 24 november 2011 telefonisch contact opgenomen met de sociale dienst en aan zijn klantmanager meegedeeld dat hij een schilderklus zou kunnen doen. Appellant gaf daarbij aan dat hij de materialen voor de klus al had gekocht maar moeilijk kon inschatten wanneer hij het werk kon uitvoeren omdat het een buitenklus in de winter betrof. Later op die dag ontving de klantmanager een e-mail van een collega van de afdeling Werk. Volgens dit bericht was appellant uitgenodigd om te verschijnen op 16 en op 24 november 2011. Appellant was op 16 november 2011 niet verschenen en op 24 november 2011 belde hij de afspraak af met de mededeling dat hij een schilderklus had. Appellant zou het werk als zelfstandige onder de naam [eenmanszaak] doen en hij had tevens een hulpschilder ingehuurd.

1.4.

Op 2 december 2011 ontving de sociale dienst informatie van het UWV over de op

22 november 2011 aangetroffen situatie zoals vermeld in 1.2. De klantmanager heeft appellant diezelfde dag gebeld en hem geconfronteerd met deze informatie.

1.5.

De in 1.2 tot en met 1.4 vermelde bevindingen waren voor het college aanleiding om bij besluit van 19 december 2011 de bijstand van appellant met ingang van 21 december 2011 te beëindigen en over de periode van 18 november 2011 tot en met 20 december 2011 in te trekken.

1.6.

Bij besluit van 30 januari 2012 heeft het college de over de periode van 18 november 2011 tot en met 30 november 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 465,52 van appellant teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 19 december 2011 en 30 januari 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet aan de sociale dienst heeft doorgegeven dat hij met ingang van 18 november 2011 aan de slag is gegaan als schilder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat een intrekkingsbesluit niet vooruit kan werken en de periode van intrekking daarom dient te worden gesteld op 18 november 2011 tot en met 19 december 2011. De rechtbank heeft ten onrechte uit de uitspraak van de Raad van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5142 afgeleid dat de werking van een intrekkingsbesluit zich ook kan uitstrekken over de periode na de datum waarop het primaire intrekkingsbesluit is genomen. De rechtbank heeft wel terecht vastgesteld dat bij het bestreden besluit onvolledig op de bezwaargrond betreffende de periode van intrekking is gereageerd. Gelet daarop is echter sprake van een gebrekkige motivering wat leidt tot onrechtmatigheid van het besluit. Appellant voert verder aan dat indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, hij recht op bijstand zou hebben gehad omdat hij geen inkomsten heeft genoten maar slechts een kostenvergoeding voor de gebruikte materialen. Hij heeft tot slot net als in beroep betoogd dat het bestreden besluit iedere wettelijke grondslag ontbeert, dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de aanname dat hij over de gehele intrekkingsperiode werkzaamheden heeft verricht, dat nimmer een beëindigingsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat de WWB geen toestemmingsvereiste voor het aannemen van werk kent.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Door met het besluit van 19 december 2011 de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 18 november 2011 tot en met 20 december 2011 en voorts na deze periode de bijstand te beëindigen met ingang van 21 december 2011, heeft het college in feite de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat dit in lijn is met de uitspraak van de Raad van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5142. De beroepsgrond dat de intrekkingsperiode dient te worden gesteld op 18 november 2011 tot en met 19 december 2011 faalt.

4.2.

Gelet op het verweerschrift in bezwaar van 16 februari 2012 en het advies van de bezwaarcommissie van 3 april 2012, is de bezwaargrond betreffende de periode van intrekking wel betrokken bij de heroverweging in bezwaar. Het bestreden besluit bevat een weliswaar summiere overweging daarover, maar dit is, anders dan appellant meent, niet een motiveringsgebrek dat tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.

4.3.

Door het college niet onverwijld te informeren over zijn op 18 november 2011 aangevangen werkzaamheden als schilder heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze informatie van invloed kan zijn op het recht op bijstand.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.5.

Appellant heeft zijn stelling dat hij geen inkomsten heeft genoten maar slechts een kostenvergoeding voor de gebruikte materialen heeft ontvangen niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Aangezien appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over de exacte omvang van zijn werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten is het recht op bijstand niet vast te stellen. De beroepsgrond dat het recht op bijstand is vast te stellen faalt.

4.6.

Voor zover appellant in hoger beroep heeft herhaald wat hij in beroep reeds heeft aangevoerd, is van de belang dat de rechtbank gemotiveerd op die beroepsgronden is ingegaan. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen , in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

HD