Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
12-2922 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om verhuiskostenvergoeding. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2922 WMO

Datum uitspraak: 5 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

11 april 2012, 12/272 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 10 oktober 2009 heeft appellant een aanvraag gedaan om een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Aan de aanvraag heeft appellant ten grondslag gelegd dat de woning vochtig en te groot is. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat geen noodzaak is gebleken voor de gevraagde voorziening. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 14 februari 2011 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan om een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo. Ter toelichting op de aanvraag heeft appellant te kennen gegeven te willen verhuizen omdat de huidige woning vochtig en te groot is.

1.3.

Bij besluit van 1 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 november 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat - na onderzoek niet - is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden ten opzichte van de eerdere afwijzing van de verhuiskostenvergoeding en dat het college de aanvraag op deze grond heeft kunnen afwijzen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De redenen waarom appellant in aanmerking wil komen voor een verhuiskostenvergoeding zijn gelijk aan de redenen die ten grondslag lagen aan de eerdere aanvraag van appellant, namelijk de vochtigheid en de grootte van de woning. Appellant heeft geen melding gemaakt van enige wijziging in deze of andere relevante omstandigheden, zoals bijvoorbeeld zijn medische situatie ten opzichte van de eerdere afgewezen aanvraag. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de onderhavige afwijzing van de verhuiskostenvergoeding ten grondslag heeft kunnen leggen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden.

4.2.

Het standpunt van appellant dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de vochtproblemen in zijn woning en zijn medische beperkingen kan niet worden gevolgd. Appellant gaat eraan voorbij dat het college aan de hand van door hem in de bezwaarfase overgelegde stukken heeft onderzocht of hetgeen appellant heeft aangevoerd nieuwe feiten of omstandigheden betreft. Voorts miskent appellant dat bij een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, het aan appellant is om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken. Dergelijke feiten en omstandigheden kunnen ook niet worden aangenomen naar aanleiding van het eerst in beroep ingenomen standpunt van appellant dat hij ook om psychosociale redenen wil verhuizen. Naar vaste rechtspraak kan immers met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht geen rekening worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594).

4.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.P. Ketting

JS