Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
13-5803 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage ZVW. Verdragsgerechtigde. Woonlandfactor. Het Zorginstituut heeft voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de verschuldigde bijdrage voor appellant heeft berekend. Uit de wettelijke regeling volgt dat naast het Nederlandse inkomen ook het buitenlandse inkomen bij de berekening wordt betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5803 ZVW

Datum uitspraak: 5 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 september 2013, 12/6404 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Italië) (appellant)

het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan het Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant woonde ten tijde hier van belang in Italië en hij had in dat land recht op zorg. De kosten van deze zorg komen ten laste van Nederland. Appellant is daarvoor een zogenoemde buitenlandbijdrage verschuldigd.

1.2.

Bij besluit van 15 juli 2012 heeft het Zorginstituut aan appellant een definitieve jaarafrekening over 2010 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 1.854,08, waarvan hij nog € 709,08 diende te voldoen.

1.3.

Het Zorginstituut heeft het door appellant tegen het besluit van 15 juli 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

13 november 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant als verdragsgerechtigde een bijdrage aan Nederland verschuldigd is. De verdragsgerechtigdheid vloeit voort uit de Verordeningen 1408/71 (EG) en 883/2004 (EG). De bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank correct vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij de berekeningsformules voor de bijdrage die hij moet betalen niet inzichtelijk vindt. Bovendien bevat de berekening volgens hem enkele ongerijmdheden, omdat niet alleen het Nederlandse, maar ook het buitenlandse inkomen bij de berekening wordt betrokken, en valt niet te begrijpen hoe de bijdrage zich tot het vastgestelde inkomen verhoudt. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij meent dat de jaarlijkse verhoging van de premiepercentages niet deugt en dat de door hem betaalde bijdragen vanaf 2006 zouden moeten worden terugbetaald.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In de Zorgverzekeringswet en de Regeling Zorgverzekering is bepaald op welke wijze de buitenlandbijdrage wordt vastgesteld en van welke inkomensgegevens daarbij wordt

uitgegaan. Uit bijlage A bij het besluit van 15 juli 2012 blijkt dat het Zorginstituut in overeenstemming met de wettelijke regeling het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen bij zijn berekening heeft gebruikt. Met deze bijlage heeft het Zorginstituut voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de verschuldigde bijdrage voor appellant heeft berekend. Het besluit van 15 juli 2012 is daarmee, anders dan appellant meent, toereikend gemotiveerd.

4.2.

Aan appellant kan worden toegegeven dat de berekening van de buitenlandbijdrage niet eenvoudig is. Dat komt onder meer omdat de bijdrage is samengesteld uit een nominale bijdrage (voor appellant en zijn niet verdienende partner) en diverse inkomensafhankelijke bijdrages, terwijl ook met verschillende zogeheten heffingskortingen en een woonlandfactor rekening wordt gehouden. Wisselingen in een of meer van deze bijdrages, kortingen en/of in de woonlandfactor, die overigens zijn terug te voeren op wijzigingen in de wettelijke regelingen, leiden tot een ander totaalbedrag. Aan de hand van wat in hoger beroep door appellant naar voren is gebracht kan echter - gegeven het door de Belastingdienst vastgesteld inkomen - niet blijken dat bij de berekening van de totale bijdrage over 2010, of over een of meer onderdelen daarvan, door het Zorginstituut in het onderhavige geval fouten zijn gemaakt. Van ongerijmdheid als door appellant gesteld is niet gebleken. Uit de wettelijke regeling, zoals die ook door het Zorginstituut in het verweerschrift is opgenomen, volgt immers dat naast het Nederlandse inkomen ook het buitenlandse inkomen bij de berekening wordt betrokken. Voor de gevraagde terugbetaling over 2010 hoeft het Zorginstituut geen aanleiding te zien, nu niet is gebleken dat de buitenlandbijdrage niet correct is vastgesteld. De berekening van de buitenlandbijdrages over de periode 2006 tot en met 2009, en de over die jaren verzochte terugbetaling, is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

4.3.

Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Omdat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K. de Jong

JS