Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
11-4707 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een voorziening in de vorm van een hoog persoonlijk kilometerbudget op de grond dat geen medische gronden zijn vastgesteld waardoor reizen per trein niet mogelijk is. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat Argonaut zich heeft kunnen baseren op de rapporten van de (bezwaar)arts van 16 maart 2010 en 25 juni 2010, waarin informatie afkomstig van de huisarts, de internist en de verzekeringsarts is betrokken en waarin wordt geconcludeerd dat geen sprake is van chronische medische beperkingen die appellant verhinderen gebruik te maken van de trein. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat Argonaut heeft kunnen afzien van lichamelijk onderzoek, nu de (bezwaar)arts op basis van de aanwezige medische gegevens zich een voldoende duidelijk beeld heeft kunnen vormen over de beperkingen ten aanzien van het reizen per trein. Het betoog van appellant slaagt dan ook niet. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4707 WMO

Datum uitspraak: 7 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

6 juli 2011, 10/5596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Argonaut Advies B.V. (Argonaut)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Argonaut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2013. Voor appellant is

mr. drs. Dielbandhoesing verschenen. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. S.J. Heemstra en mr. L. Stové.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 maart 2010 heeft Argonaut de aanvraag van appellant om een voorziening in de vorm van een hoog persoonlijk kilometerbudget afgewezen op de grond dat geen medische gronden zijn vastgesteld waardoor reizen per trein niet mogelijk is.

1.2. Bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) heeft Argonaut het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de besluitvorming is gebaseerd op de rapporten van Argonaut van 16 maart 2010 en 25 juni 2010, waarbij medische informatie van derden is betrokken.

3.

In hoger beroep voert appellant kort gezegd aan dat het medisch onderzoek dat tot de besluiten van Argonaut heeft geleid, niet zorgvuldig is geweest. Appellant verzoekt de Raad zo nodig een arts-deskundige te benoemen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat Argonaut zich heeft kunnen baseren op de rapporten van de (bezwaar)arts van 16 maart 2010 en 25 juni 2010, waarin informatie afkomstig van de huisarts, de internist en de verzekeringsarts is betrokken en waarin wordt geconcludeerd dat geen sprake is van chronische medische beperkingen die appellant verhinderen gebruik te maken van de trein. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd volgt niet dat het in de rapporten neergelegde medische advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet concludent is of anderszins onjuist is. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat Argonaut heeft kunnen afzien van lichamelijk onderzoek, nu de (bezwaar)arts op basis van de aanwezige medische gegevens zich een voldoende duidelijk beeld heeft kunnen vormen over de beperkingen ten aanzien van het reizen per trein. Het betoog van appellant slaagt dan ook niet.

4.3.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de Raad geen aanleiding om een arts-deskundige te benoemen.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Met hetgeen is overwogen onder 4.4 is gelet op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gegeven dat het verzoek om schadevergoeding afgewezen moet worden.

6.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.J. Penning

IvR