Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
14-2343 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de brief van appellanten van 22 november 2012 valt op geen enkele manier valt af te leiden dat appellanten het oogmerk hadden om met die brief bezwaar te maken tegen het besluit van 2 november 2012. Het college heeft die brief niet hoeven aanmerken als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 2 november 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2343 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2014, 13/4242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Visscher, die ook namens appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 22 oktober 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellanten met ingang van 11 oktober 2012 opgeschort. Appellanten hebben tegen dit besluit met een aan het college gericht bezwaarschrift van 28 oktober 2012 bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2012 ingetrokken en de over de periode van 1 juni 2012 tot 1 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 3.728,10. Voorts heeft het college de bijstand over de maand mei 2012 herzien en de over deze maand teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 914,01. Ten slotte heeft het college erop gewezen dat appellanten nog een schuld aan het college hebben van € 751,88. Het besluit is namens het college ondertekend door H.J. Karrenbelt, hoofd van de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de Sector Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amersfoort (Hoofdafdeling).

1.3.

Appellanten hebben H.J. Karrenbelt bij brief van 22 november 2012 (brief van 22 november 2012) het volgende meegedeeld:

“Hier nog wat bezwaren tegen de Gemeente zie bijlagen.

We hebben niets te verliezen en vermijden het niet om juridisch, politiek en media stappen te ondernemen.

Wij stellen u aansprakelijk voor alle schulden die hier uit voortvloeien.”

1.4.

Bij brief van 1 februari 2013 heeft mr. Visscher de Hoofdafdeling bericht dat hij de belangen van appellanten behartigt en dat appellanten reeds zelfstandig bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 22 oktober 2012 en 2 november 2012, met het verzoek om een aanvullende termijn te verlenen voor het aanvullen van de gronden van bezwaar. Bij brief van 26 februari 2013 heeft mr. Visscher de gronden van bezwaar ingediend.

1.5.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft het college gereageerd op de brief van 22 november 2012. Het college begint zijn brief aan appellanten met: “[In de brief van 22 november 2012] stelt u de gemeente Amersfoort wederom aansprakelijk voor al uw schulden. Uit deze brief menen wij op te maken dat u uw aansprakelijkstelling baseert op het feit dat de gemeente heeft besloten dat u geen aanspraak kunt maken op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).” Vervolgens deelt het college mee dat de gemeente Amersfoort niet aansprakelijk is voor de door appellanten gestelde schulden, dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat met het besluit van 2 november 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2012 is ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

1.6.

Bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Het college heeft aan dit laatste het volgende ten grondslag gelegd. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 november 2012 is pas per faxbericht van 1 februari 2013 door mr. Visscher aan het college verzonden, dus bijna anderhalve maand na afloop van de bezwaartermijn van zes weken. In de brief van

22 november 2012 wordt geen bezwaarschrift gezien. Daarbij is van belang dat in deze brief niet de (datum van de) beschikking van 2 november 2012 wordt genoemd en dat de brief van 22 november 2012 niet is gericht aan het college, terwijl appellanten dit wel allemaal in hun bezwaarschrift van 28 oktober 2012 hebben vermeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat het college de brief van 22 november 2012 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift, gericht tegen het in

1.2

genoemde besluit van 2 november 2012. Zij wijzen in dit verband op het volgende. Het besluit van 2 november 2012 was reeds bijgesloten bij de brief van 22 november 2012. In deze brief hebben zij het over schulden. Aangezien appellanten tot aan het besluit van

2 november 2012 geen schulden hadden, is het volstrekt logisch en begrijpelijk dat zij verwezen naar dat besluit. Aan de belangrijkste eisen van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan: in de brief van 22 november 2012 zijn de naam en het adres van appellanten, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en - beperkte - gronden van het bezwaar opgenomen. Voor zover niet volledig werd voldaan aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb, had het college appellanten een herstel verzuimtermijn moeten bieden. Gelet op de in 1.5 genoemde brief ging het college ook zelf kennelijk uit van een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 2 november 2012. Het enkele feit dat appellanten tegen het besluit van 22 oktober 2012 een uitgebreider en vollediger bezwaarschrift hebben ingediend, doet aan het vorenstaande niet af. Niet valt in te zien waarom het college de brief van 22 november 2012 niet als bezwaarschrift behoefde aan te merken, maar wel als een civiele aansprakelijkheidsstelling kon en mocht beschouwen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college de brief van 22 november 2012 had moeten aanmerken als een - tijdig - bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 2 november 2012.

4.2.1.

De gestelde omstandigheid dat bij de brief van 22 november 2012 een afschrift van het besluit van 2 november 2012 was gevoegd, kan van betekenis zijn voor het antwoord op de vraag of het college die brief als bezwaarschrift had moeten aanmerken. Immers, indien zou vaststaan dat het besluit van 2 november 2012 bij de brief van 22 november 2012 was gevoegd, dan zou daaruit kunnen worden afgeleid dat appellanten met die brief hebben beoogd bezwaar te maken tegen dat besluit.

4.2.2.

Evenals de rechtbank acht de Raad niet aannemelijk dat bij de brief van 22 november 2012 een afschrift van het besluit van 2 november 2012 was gevoegd. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat in het procesdossier achter de brief van 22 november 2012 een kopie van twee brieven van dezelfde datum, gericht aan [naam 1] (V) en[naam 2] (S), en een kopie van de voor- en achterkant van de gebruikte enveloppe waren gevoegd, maar niet een kopie van het besluit van 2 november 2012. In dit verband is voorts van belang dat in de brief van 22 november 2012 wordt verwezen naar ‘bijlagen’ waarin de bezwaren tegen de gemeente zijn opgenomen. Gelet op de inhoud van de brieven aan V en S van 22 november 2012 moet als vaststaand worden aangenomen dat deze brieven de bijlagen zijn waarnaar in de brief van 22 november 2012 wordt verwezen. In de brief aan V staat onder meer dat [naam 3] (W) weer heeft gefraudeerd met medewerking van V en dat appellanten daar niet over mochten praten, maar wel iedere maand € 130,- van hun uitkering mochten betalen voor eerdere fraude van W. In de brief aan S staat onder meer dat W heeft gefraudeerd, dat S daarvan af wist en ook wist dat W vanaf april op het adres [adres] verbleef, dat het onderzoek naar de verblijfplaats van W ten onrechte heeft plaatsgevonden en dat appellanten hierdoor geen huur- en zorgtoeslag hebben gekregen. Voor de stelling van appellanten dat zij de brieven aan V en S van 22 november 2012 persoonlijk aan de balie van het gemeentehuis hebben afgegeven en het besluit van 2 november 2012 bij de brief van 22 november 2012 hadden gevoegd, bestaat dan ook geen grond.

4.3.

Ook anderszins valt uit de (tekst van de) brief van 22 november 2012 dan wel uit de daarin genoemde bijlagen niet op te maken dat appellanten met die brief hebben bedoeld aan het college kenbaar te maken dat zij het niet eens zijn met het besluit van 2 november 2012.

4.3.1.

Het besluit van 2 november 2012 is in ieder geval niet genoemd of bijgevoegd. Weliswaar is de term ‘bezwaren’ genoemd, maar daarmee wordt gedoeld op de bezwaren die appellanten hebben verwoord in de als bijlagen bij de brief van 22 november 2012 gevoegde brieven aan V en S van dezelfde datum. Andere vergelijkbare aanduidingen waaruit kan worden afgeleid dat appellanten zich niet met het besluit van 2 november 2012 kunnen verenigen, worden in de brief van 22 november 2012 niet gebruikt.

4.3.2.

Uit zowel het besluit van 2 november 2012 als de brief aan V van 22 november 2012 blijkt dat appellanten ook al vóór dat besluit schulden aan het college hadden. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college verklaard, in reactie op de vraag waarom in de brief van 12 februari 2013 staat dat appellanten het college ‘wederom’ aansprakelijk hebben gesteld voor al hun schulden, dat appellanten het college daarvoor ook al in oktober 2012 - per

we-mailbericht - aansprakelijk hadden gesteld. Gelet hierop is uit de aansprakelijkstelling voor schulden van appellanten in de brief van 22 november 2012, anders dan appellanten stellen, niet op te maken dat appellanten daarmee beoogden bezwaar te maken tegen het besluit van 2 november 2012. Hier komt bij dat het bezwaarschrift dat appellanten tegen het besluit van 22 oktober 2012 hebben ingediend wel duidelijk als zodanig herkenbaar was.

4.3.3.

Dat het college in zijn brief van 12 februari 2013 het besluit van 2 november 2012 wel noemt en de brief van 22 november 2012 ook relateert aan dat besluit, doet er niet aan af dat uit de brief van 22 november 2012 op geen enkele manier valt af te leiden dat appellanten het oogmerk hadden om met die brief bezwaar te maken tegen het besluit van 2 november 2012.

4.4.

Uit 4.2.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het college de brief van 22 november 2012 niet heeft hoeven aanmerken als een bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 2 november 2012. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.T.P. Pot

HD