Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
13-3301 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:3300, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Appellant heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant eerder genoemde re-integratietrajecten door houdingsproblemen niet succesvol heeft afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3301 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2013, 12/5754 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het college nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. Cools. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 4 januari 2011 is appellant gestart met een re-integratietraject bij Cardan. Dit traject is op 25 augustus 2011 niet succesvol beëindigd.

1.3.

Op 5 december 2011 is appellant gestart met een re-integratietraject bij Tilburg@Work. Op 13 januari 2012 is appellant door een bedrijfsarts van Tilburg@Work medisch onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van duurzame mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Hierbij heeft de arts vermeld dat geen sprake is van structurele ziekten of gebreken. Het traject bij Tilburg@Work is op 9 mei 2012 niet succesvol beëindigd.

1.4.

Op 9 mei 2012 heeft appellant een gesprek gehad bij de Afdeling Werk & Inkomen van de gemeente Tilburg (afdeling). Bij deze gelegenheid heeft een medewerker van de afdeling appellant meegedeeld dat hij wordt aangemeld voor een re-integratietraject bij Sagenn en dat hij daar op 16 mei 2012 moet starten. Appellant heeft tijdens dit gesprek te kennen gegeven niet mee te willen werken aan dit traject.

1.5.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het college, onder verwijzing naar een zogeheten werkpolis van dezelfde datum, appellant de verplichting opgelegd tot het volgen van een

re-integratietraject bij Sagenn. In deze werkpolis is onder meer vermeld dat appellant tijdens een gesprek op 7 september 2011 duidelijk is gemaakt dat status, cultuur en/of stand in zijn sociaal milieu geen redenen kunnen zijn om bepaalde functies die worden bezien als algemeen geaccepteerde arbeid te weigeren (of hierop [lees: niet] te solliciteren). Hierbij is appellant te kennen gegeven dat hem voldoende tijd is verleend voor het vinden van een baan die zijn voorkeur geniet en dat appellant zelf vele sollicitaties heeft verricht, echter zonder resultaat. Volgens de werkpolis maken deze redenen dat appellant ook buiten zijn eigen ’range’ van voorkeursberoepen moet gaan solliciteren. Appellant is op 9 mei 2012 nogmaals op de hoogte gesteld van deze afspraak, aldus de werkpolis. Blijkens deze werkpolis krijgt appellant in het aangeboden re-integratietraject gemiddeld vier dagen per week begeleiding bij het vinden van werk. Het traject start met een praktijkdiagnose. Hiermee worden de wensen, mogelijkheden en eventuele beperkingen met betrekking tot werk vastgesteld. De diagnose duurt maximaal zes weken. Hierna verricht appellant diverse werkzaamheden bij Sagenn of via een werkgever. Ook krijgt hij (persoonlijke) begeleiding en trainingen via Sagenn. Door de combinatie van werken, leren, (persoonlijke) begeleiding en solliciteren werkt appellant toe naar betaald werk en uitkeringsonafhankelijkheid. Het totale traject duurt gemiddeld twaalf maanden.

1.6.

Appellant is op 16 mei 2012 niet verschenen bij Sagenn.

1.7.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant van 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 met 100% verlaagd.

1.8.

Bij besluit van 6 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2012 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2012 (deels) gegrond verklaard. Hierbij is het besluit van 31 mei 2012 gehandhaafd, met dien verstande dat de opgelegde maatregel is verlaagd naar 75% gedurende één maand. Aan dit besluit is, onder verwijzing naar de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (verordening), ten grondslag gelegd dat appellant zonder geldige reden niet heeft meegewerkt aan het re-integratietraject bij Sagenn en dat hij de twee eerdere, onder 1.2 en 1.3 genoemde, trajecten door houdingsproblemen niet succesvol heeft afgesloten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke bepalingen van de WWB en de verordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.

Besluit van 14 mei 2012 (opleggen re-integratieverplichting)

4.1.

In geschil is of het aangeboden re-integratietraject bij Sagenn passend is voor appellant. Appellant heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat bij het opstellen van de onder 1.5 bedoelde werkpolis maatwerk is geleverd.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 april 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het niet aan de belanghebbende, maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en dat de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging.

4.3.

Gelet op de onder 1.5 weergegeven inhoud van de werkpolis en anders dan appellant heeft betoogd, heeft het college een zorgvuldige, op de persoon van appellant toegesneden afweging gemaakt alvorens appellant het onderhavige re-integratietraject aan te bieden. Het college heeft juist door het aangeboden traject appellant willen begeleiden naar betaald werk dat voor hem, gelet op zijn persoon en zijn situatie passend zou kunnen zijn. Daarbij heeft het college in het feit dat appellant voldoende tijd is verleend voor het vinden van een baan van zijn voorkeur en het feit dat appellant zelf zonder resultaat vele sollicitaties heeft verricht redelijkerwijs aanleiding kunnen zien om appellant nu door middel van het aangeboden traject te begeleiden bij het vinden van werk. Van appellant kon worden verlangd dat hij aan deze voorziening mee zou werken, ook als daarbij sprake zou zijn van sollicitaties naar functies op een lager niveau dan de eerder door hem gevolgde opleidingen. Daarbij is van belang dat appellant, zoals in het gesprek van 9 mei 2012 nogmaals is vastgesteld, met zijn ’range’ van voorkeursberoepen, een (te) grote afstand inneemt tot de arbeidsmarkt.

4.4.

Het college heeft, gelet op de onder 1.5 weergegeven inhoud van de werkpolis, ook aan appellant kenbaar gemaakt waaruit de voorziening concreet zou bestaan, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en de omstandigheden van appellant was aangewezen en welk tijdpad zou worden gevolgd.

4.5.

Appellant heeft niet door middel van objectieve medische of andere gegevens aannemelijk gemaakt dat het aangeboden traject als een gevolg van medische beperkingen voor hem niet passend was. De door appellant overgelegde medische informatie is daartoe ontoereikend.

4.6.

De stelling van appellant ten tijde van de zitting bij de rechtbank dat hij - zelfstandig - een reguliere baan als journalist bij de SON Media Groep had gevonden, doet aan het vorenstaande niet af. Dit gegeven heeft immers geen betrekking op de hier van belang zijnde periode. De stelling van appellant dat hij het college verschillende malen vergeefs om toestemming heeft verzocht om een stage te mogen lopen in een functie die in overeenstemming was met zijn opleidingsniveau, kan aan het vorenstaande evenmin afdoen. Dit is alleen al het geval, omdat appellant deze stelling niet nader met gegevens heeft onderbouwd.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat de beroepsgrond dat het aangeboden re-integratietraject bij Sagenn voor appellant niet passend is, niet slaagt.

Besluit van 31 mei 2012 (opleggen maatregel)

4.8.

Uit de stukken blijkt dat appellant tijdens het gesprek op 9 mei 2012 te kennen heeft gegeven niet aan het re-integratietraject bij Sagenn te willen meewerken en dat appellant vervolgens op 16 mei 2012, zonder geldige reden, niet op dit traject is verschenen. Niet in geschil is dat appellant hiermee niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant eerder de onder 1.2 en 1.3 genoemde re-integratietrajecten door houdingsproblemen niet succesvol heeft afgesloten.

4.9.

Gelet hierop kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt. Het college was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB van in verbinding met artikel 25, derde lid, aanhef en onder 2b, en vierde lid, de verordening, bij wijze van maatregel de bijstand voor de duur van één maand met 75% van de bijstandsnorm te verlagen. In wat appellant heeft aangevoerd - de opgelegde maatregel is buitensporig omdat hij zich, gelet op zijn vele sollicitaties, bovenmatig heeft ingespannen om werk te vinden - is geen grond gelegen voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant die gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, moet worden gematigd.

4.10.

Uit 4.7 en 4.9 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD