Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
13-2449 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Intrekking uitstel van betaling. Vaststelling van betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2449 WWB, 13/2450 WWB, 13/6581 WWB, 13/6582 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

9 april 2013, 12/3720 (aangevallen uitspraak 1) en van 28 oktober 2013, 13/2961 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 september 2014. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn sinds de jaren 50 van de vorige eeuw gehuwd in gemeenschap van goederen, maar hebben een periode gescheiden van elkaar geleefd. Appellante ontving vanaf maart 2001 bijstand. Vanaf 14 maart 2007 ontvingen appellanten gezamenlijk bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op hun ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 9 april 2001 tot en met 30 april 2008 en de bijstand van appellant over de periode van 14 maart 2007 tot en met

30 april 2008 ingetrokken op de grond dat zij, nu zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, samen beschikken over een vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens zodat geen recht op bijstand bestaat. Voorts zijn de gemaakte kosten van bijstand over de in geding zijnde periode tot een bedrag van € 36.484,25 van appellanten teruggevorderd en is verzocht dit bedrag binnen vier weken te betalen. Bij besluit van 13 maart 2009 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2008 deels gegrond verklaard, in die zin dat het college aan appellanten tot 1 juli 2009 de gelegenheid heeft gegeven om de schuld af te lossen. Bij brief van 11 juni 2009 heeft het college appellanten meegedeeld dat akkoord wordt gegaan met uitstel van betaling gedurende de behandeling van het ingestelde beroep tegen het besluit van 13 maart 2009. De rechtbank Amsterdam heeft dit beroep bij uitspraak van 18 augustus 2009 ongegrond verklaard. Die uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van

27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6097, bevestigd.

1.2.

Bij besluit van 13 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college het uitstel van betaling ingetrokken, omdat de reden waarvoor uitstel van betaling was verleend na de uitspraak van de Raad van 27 september 2011 niet meer aanwezig was. Daarbij heeft het college vermeld dat de openstaande vordering ten bedrage van € 36.334,25 binnen zes weken door appellanten moet zijn voldaan.

1.3.1.

Het college heeft ten behoeve van de vaststelling van de draagkracht van appellanten bij brief van 19 december 2012 aan appellanten verzocht informatie te verstrekken over hun financiële situatie. Dit verzoek zag op bankafschriften en informatie over inkomen, kosten ziektekostenverzekering, woonlasten, zorg- en huurtoeslag, schulden en vermogen. Wat dit laatste betreft heeft het college verzocht om specificaties te verstrekken met betrekking tot de verkoop van het huis van appellanten in Suriname.

1.3.2.

Bij brief van 21 januari 2013 hebben appellanten de volgende informatie verstrekt: bankafschriften, polisbladen van hun ziektekostenverzekeringen, specificaties van hun ouderdomspensioenen en een mededeling van het Surinaamse oudedagsvoorzieningsfonds van 4 februari 2011 aan de Svb dat het recht op een uitkering uit dit fonds is vervallen omdat appellant Suriname “metterwoon heeft verlaten”. Met betrekking tot de verkoop van hun woning in Suriname hebben appellanten meegedeeld dat de verkoop van deze woning is aangewend voor de betaling van bouwschulden van appellant en aflossingen van leningen die appellant had afgesloten bij zijn oudere broer, zoon en dochter.

1.3.3.

Het college heeft appellanten daarop bij brief van 8 februari 2013 verzocht nadere informatie over hun financiële situatie te verstrekken, in het bijzonder over de hoogte van de woonlasten, de hoogte van de huur- en zorgtoeslag, het geringe aantal mutaties met betrekking tot kosten van levensonderhoud op de bankafschriften en over de verkoop van de woning te Suriname.

1.3.4.

Bij brief van 20 februari 2013 hebben appellanten het college meegedeeld dat zij inwonen bij hun zoon en daarvoor een verblijfsvergoeding van € 300,- betalen, dat zij geen huur- en zorgtoeslag ontvangen en dat zij wat de afgeloste schulden betreft niet meer beschikken over de bewijzen daarvan, omdat deze schulden contant zijn voldaan. Voorts merken zij op dat de reden voor het geringe aantal mutaties betreffende kosten van levensonderhoud op de bankafschriften is gelegen in het feit dat appellanten lijden aan diabetes en hoge bloeddruk, waardoor zij een strikt dieetregime ondergaan door middel van daarvoor bestemde voedselpakketten die via hun zorgverzekeraar worden verstrekt.

1.4.

Bij besluit van 28 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellanten met ingang van 1 maart 2013 een betalingsverplichting opgelegd van € 50,76 per maand. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende inzage hebben gegeven in hun financiële situatie, onder meer omdat zij geen specificaties hebben verstrekt van de verkoop van de woning in Suriname. Appellanten worden daarom geacht te beschikken over zodanige inkomsten en/of vermogen dat dit een levensonderhoud op het minimum bestaansniveau mogelijk maakt.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten hebben tegen de aangevallen uitspraken het volgende aangevoerd. Zij hebben geen financiële draagkracht om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen. Appellanten hebben volledige inzage gegeven in hun financiële situatie en uit de door hen ingeleverde stukken vloeit ondubbelzinnig voort dat zij geen draagkracht hebben. Appellanten zijn hoogbejaard en lijden aan ernstige psychische klachten, zodat zij niet in staat zijn een inkomen te vergaren om de schuld af te lossen. Appellanten hebben geen vermogen overgehouden uit de verkoop van hun woning te Suriname en beschikken niet over nadere informatie over de verkoop van de woning, waarmee zij geen bemoeienis hebben gehad. Daarnaast is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op het standpunt dat de vordering op nihil moet worden gesteld wegens het ontbreken van financiële draagkracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking uitstel van betaling (bestreden besluit 1)

4.1.

Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, gaat het in dit geding niet om het opleggen van een nieuwe betalingsverplichting, maar om het intrekken van een verleend uitstel van betaling naar aanleiding van de reeds bij het in 1.1 genoemde besluit van 13 maart 2009 opgelegde betalingsverlichting.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5178), is niet vereist dat een intrekking van het uitstel van betaling betalingsbedragen en betalingstermijnen bevat die gebaseerd zijn op een beoordeling van de draagkracht van de betrokkene. Aangezien de intrekking van het uitstel van betaling, evenals het bestreden besluit 2, voldoet aan het bepaalde in artikel 60, eerste lid, van de WWB (oud) wat betreft betalingstermijn en voorgenomen executiemaatregelen, slaagt het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet. Deze uitspraak dient daarom - gelet op 4.1 met verbetering van gronden - te worden bevestigd.

Betalingsverplichting van € 50,76 per maand (bestreden besluit 2)

4.3.

In dit geding is uitsluitend in geschil de per 1 maart 2013 opgelegde betalingsverplichting voor het aflossen van de vordering van het college op appellanten van € 36.334,25 en dus niet, anders dan appellanten veronderstellen, het op nihil stellen - lees: kwijtschelden - van deze vordering.

4.4.

Vaststaat dat appellanten geen informatie hebben verstrekt over de verkoop van hun woning in Suriname, welke woning op 10 juli 2007 is getaxeerd op € 160.000,-. Reeds om die reden kan niet worden gezegd dat appellanten volledige inzage hebben gegeven in hun financiële situatie. Dat zij niet (kunnen) beschikken over gegevens over de verkoop van die woning, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Uit de weinige concrete gegevens die appellanten over hun financiële situatie hebben verstrekt, valt niet af te leiden dat appellanten niet in staat waren om per 1 maart 2013 maandelijks een bedrag van € 50,76 af te lossen op de vordering van het college.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak ook moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.T.P. Pot

HD