Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
12-3478 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de diagnose post Lyme syndroom in het geval van appellante niet kan worden onderbouwd. Geen aanknopingspunten om de beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3478 WIA

Datum uitspraak: 27 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

7 mei 2012, 12/154 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 31 maart 2008 uitgevallen voor haar werkzaamheden als juridisch secretaresse. Het Uwv heeft appellante met ingang van 29 maart 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante werd vanwege lichamelijke klachten en klachten op cognitief en energetisch gebied beperkt belastbaar voor arbeid geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid is na functieduiding berekend op 64%. Bij besluit van 3 februari 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering op

29 maart 2011 eindigt en dat zij met ingang van deze datum recht heeft op een

WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 15 oktober 2011 beëindigd, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 35%.

1.3.

Bij besluit van 11 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft - kort gezegd - appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv de eerder voor haar vastgestelde urenbeperking ten onrechte heeft laten vervallen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat appellante de voor haar geselecteerde functies niet kan vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat haar klachten en beperkingen terug zijn te voeren op een persisterende ziekte van Lyme. Zij betoogt dat deze ziekte gepaard kan gaan met langdurige pijnklachten en inspanningsintolerantie. Naar de mening van appellante heeft de verzekeringsarts ten onrechte geen duurbeperking meer van toepassing geacht. Zij heeft er ondersteuning van haar standpunt verwezen naar de door haar in beroep ingezonden memo van medisch adviseur W.F. Eggink. Daaruit blijkt naar haar mening dat de door haar gepresenteerde symptomen passen bij het post Lyme disease syndroom en de chronische Lyme ziekte en dat haar klachten medisch objectiveerbaar zijn. Zij acht zich niet in staat de geselecteerde functies te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld vormt in essentie een herhaling van wat zij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Hierin zijn geen aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. De overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 12 april 2012, in reactie op de in beroep ingezonden memo van Eggink, heeft uiteengezet dat de term post Lyme syndroom, blijkens de bij die memo bijgevoegde literatuur, ook vaak gebruikt wordt om aspecifieke klachten te beschrijven waarbij een relatie met een bewezen infectie ontbreekt. Bij veel van die patiënten is er sprake van andere aandoeningen of andere problematiek. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert dat de behandelend internist-infectioloog,

dr. H.J.M.M. ter Hofstede, eveneens erkent dat er discussie is over het begrip post Lyme syndroom in welk verband zij heeft verwezen naar de (nieuwe) Richtlijn Lyme borreliose. Deze richtlijn beschrijft, zo licht de bezwaarverzekeringsarts toe, dat aspecifieke klachten slechts in een zeer incidenteel geval een gevolg zijn van Lyme. Voorts is bekend dat er veel mensen zijn met een positieve IgG voor Lyme, zonder dat zij klachten hebben. Een relatie tussen aspecifieke klachten en een infectie is daarmee niet aannemelijk. De bezwaarverzekeringsarts is, zoals ook door de rechtbank is overwogen, tot de conclusie gekomen dat de diagnose post Lyme syndroom in het geval van appellante niet kan worden onderbouwd, omdat zij niet aan de inclusiecriteria voldoet. De aspecifieke klachten van appellante kunnen daarom niet worden geobjectiveerd als een gevolg van de ziekte van Lyme. De bezwaarverzekeringsarts acht het meer aannemelijk dat de klachten van appellante nog verband houden met de in aanvang gestelde diagnose burn-out, de psychosociale problematiek bij appellante en haar karakterstructuur. Van een psychiatrische toestandsbeeld is volgens hem evenwel geen sprake meer. Hij acht appellante in staat gedurende hele dagen lichte werkzaamheden te verrichten. Er zijn geen aanknopingspunten om deze beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken ingezonden die haar standpunt onderbouwen dat zij als gevolg van haar klachten beperkt is in haar duurbelasting.

4.2.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapport van 16 december 2011 inzichtelijk toegelicht waarom de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

HD