Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
11-3157 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de brief van 20 maart 2014 en de daarbij gevoegde stukken heeft het college toereikend gemotiveerd dat sprake was van een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard, gelegen in de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen, om aan appellante geen vaste aanstelling te verlenen. Het college heeft er op gewezen dat de gemeente ten tijde van het primaire besluit van 5 augustus 2010 aan het begin stond van vergaande bezuinigingsmaatregelen die met name de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) hard hebben getroffen. Die maatregelen zijn uiteindelijk uitgewerkt in het Implementatieplan Bezuinigingen DSO 2011-2015 van 7 december 2010. Uit dat plan (blz. 33) blijkt onder meer dat reeds in juni 2010 rekening werd gehouden met een formatiekrimp van 30% ofwel 350 fte’s ten opzichte van de nulmeting per 1 januari 2010. In het licht van de op handen zijnde bezuinigingsmaatregelen, tijdelijke vacaturestop binnen DSO en beslissing om tijdelijke contracten niet te verlengen was er voor het college een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard om appellante, na afloop van haar tijdelijke aanstelling bij wijze van proef, geen vaste aanstelling per 1 september 2010 te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3157 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

20 april 2011, 11/297 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 30 oktober 2014

PROCESVERLOOP

Voor het procesverloop wordt verwezen naar de tussenuitspraak van de Raad van

6 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:349).

De Raad heeft bij de tussenuitspraak het college opgedragen het gebrek in het besluit van

9 december 2010 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Bij brief met bijlagen van 20 maart 2014 heeft het college, ter uitvoering van de tussenuitspraak, het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 14 april 2014 heeft de gemachtigde van appellante op de brief van het college gereageerd.

Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak van 6 februari 2014. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad de tijdelijke aanstelling van appellante voor de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2010, anders dan het college in het bestreden besluit en de rechtbank in de aangevallen uitspraak, aangemerkt als een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Verder is in de tussenuitspraak overwogen dat het college het ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat de tijdelijke aanstelling van appellante niet is verlengd vanwege een op handen zijnde reorganisatie, niet met stukken heeft onderbouwd. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke motivering.

2.2.

Uit hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Ook moet het bestreden besluit worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

3.1.

De Raad zal vervolgens beoordelen, gelet op de brief van het college van 20 maart 2014, of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

3.2.

Vast staat dat de leidinggevende van appellante tevreden was over haar functioneren en aan de algemeen directeur een voorstel heeft gedaan om haar in vaste dienst te nemen. Appellante mocht er dan ook in beginsel van uit gaan dat haar tijdelijke aanstelling bij wijze van proef zou worden vervolgd met een vaste aanstelling. Dit neemt niet weg dat van een dergelijke gang van zaken kan worden afgezien als zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 9 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1045) kan een zodanige omstandigheid ook worden gevormd door de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen.

3.3.

Met de brief van 20 maart 2014 en de daarbij gevoegde stukken heeft het college toereikend gemotiveerd dat sprake was van een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard, gelegen in de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen, om aan appellante geen vaste aanstelling te verlenen. Het college heeft er op gewezen dat de gemeente ten tijde van het primaire besluit van 5 augustus 2010 aan het begin stond van vergaande bezuinigingsmaatregelen die met name de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) hard hebben getroffen. Die maatregelen zijn uiteindelijk uitgewerkt in het Implementatieplan Bezuinigingen DSO 2011-2015 van 7 december 2010. Uit dat plan (blz. 33) blijkt onder meer dat reeds in juni 2010 rekening werd gehouden met een formatiekrimp van 30% ofwel

350 fte’s ten opzichte van de nulmeting per 1 januari 2010. In het licht van de op handen zijnde bezuinigingsmaatregelen, tijdelijke vacaturestop binnen DSO en beslissing om tijdelijke contracten niet te verlengen was er voor het college een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard om appellante, na afloop van haar tijdelijke aanstelling bij wijze van proef, geen vaste aanstelling per 1 september 2010 te verlenen. Dat aan appellante bij besluit van 12 juni 2010 voor de periode van 1 september 2010 tot 1 juli 2011 studiefaciliteiten zijn toegekend en dat de leidinggevende van appellante op de hoogte moet zijn geweest van de op handen zijnde bezuinigingsmaatregelen en niettemin de algemeen directeur heeft voorgesteld om appellante een vaste aanstelling te verlenen, zoals appellante heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Hierbij komt dat de tijdelijke aanstelling van appellante bij het bestreden besluit in verband met bij haar gewelde verwachtingen alsnog is verlengd tot 1 september 2011.

3.4.

Nu uit hetgeen in 3.2 en 3.3 is overwogen volgt dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is hersteld, het bestreden besluit nu berust op een toereikende grondslag en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

4. Er is aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep, in totaal € 2.191,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 december 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 377,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.191,50.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

HD