Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
13-3981 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gezamenlijke huishouding. Geen sprake van wederwijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3981 WWB

Datum uitspraak: 28 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2013, 13/308 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. Voor appellante is

mr. L.S. Slinkman, kantoorgenoot van mr. Dieters, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 23 juni 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij kreeg geen gemeentelijke toeslag, omdat zij geen aantoonbare woonlasten had. Blijkens de aanvraag om bijstand verbleef appellante, die vanuit Amsterdam was gevlucht voor haar ex-man, in de schuur in de achtertuin van [M.] (M), aan het [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Omdat appellante herhaaldelijk aangeboden arbeid weigerde, heeft het college het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen verzocht onderzoek te doen naar het recht op bijstand van appellante. In dat kader is onder andere dossieronderzoek gedaan en het internet bekeken. Daaruit kwam naar voren dat de dochter van appellante op Hyves de achternaam van M gebruikt, alsmede dat zij tijdens een politieverhoor zou hebben gezegd dat zij met haar moeder en haar stiefvader op het uitkeringsadres woont. Op

31 augustus 2012 is een poging gedaan tot een huisbezoek, waarbij niemand thuis werd aangetroffen. Op 21 september 2012 is een huisbezoek gebracht aan de woning op het uitkeringsadres. Tijdens dat huisbezoek heeft appellante een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport, dat is opgemaakt op

1 oktober 2012.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 november 2012, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 21 september 2012 in te trekken. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 7 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met M.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het afgelegde huisbezoek niet onrechtmatig was en dat op grond van de onderzoeksbevindingen aangenomen kon worden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met M. Appellante heeft daarvan geen melding gemaakt. Het recht op bijstand van appellante kon dan ook worden ingetrokken, nu ten gevolge van deze schending van de inlichtingenverplichting aan haar ten onrechte bijstand was verstrekt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank het huisbezoek ten onrechte rechtmatig heeft geacht en dat haar beroepsgrond dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is, ten onrechte is gepasseerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 21 september 2012 tot en met 2 november 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode hoofdverblijf had in de woning van M. In geschil is of voldaan is aan het criterium van de wederzijdse zorg.

4.4.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van verstrengeling tussen de betrokkene die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.5.

Niet in geschil is dat M in de periode in geding zorg verleende aan appellante. Het onderzoek biedt evenwel onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van wederzijdse zorg. Uit de gedingstukken komt naar voren dat M alle financiële lasten droeg en dat appellante met haar dochter woonde in het huis van M en van zijn spullen gebruik maakte. Van feiten of omstandigheden die wijzen op zorg van appellante voor M, is uit het onderzoek slechts in zoverre gebleken dat appellante met haar dochter op het moment van het huisbezoek de zolderkamer van M aan het opknappen was en dat de wasmachine stond te draaien, terwijl voor en naast de wasmachine ook kleding van M lag. Uit de onderzoeksbevindingen komt niet naar voren dat appellante in enigszins betekenende mate zorg verleende aan M. Anders dan het college betoogt, doet de summiere verklaring van appellante, die niet meer inhoudt dan dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, aan deze conclusie niet af. Nog los van de vraag of appellante geacht kan worden te weten wat de juridische term 'gezamenlijke huishouding' inhoudt, heeft appellante met deze conclusie geen feiten of omstandigheden genoemd die duiden op enige zorg van haar aan M. Dat aan het criterium van wederzijdse zorg niet is voldaan, leidt tot de conclusie dat appellante en M in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding voerden.

4.6.

Gelet op 4.5 behoeven de beroepsgronden van appellante ten aanzien van het huisbezoek geen bespreking meer.

4.7.

Uit 4.5 volgt dat het besluit tot intrekking van de bijstand niet op deugdelijk onderzoek, noch op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het uitgesloten wordt geacht, zoals ook ter zitting van de Raad door de gemachtigde van het college is erkend, dat het college alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat in de periode in geding sprake was van wederzijdse zorg, bestaat tevens aanleiding het primaire intrekkingsbesluit te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 2 november 2012 voor zover dat de intrekking betreft en bepaalt dat

deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 7 maart 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C. Moustaine

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD