Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
13-659 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de fysieke beperkingen geen grond vormden voor toewijzing van de gevraagde voorziening. Geen bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/659 WMO

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

27 december 2012, 12/2428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Willems.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is omstreeks 1 januari 2012 verhuisd van de [adres 1] naar de [adres 2] De woning aan de[adres 2] is een zogenoemde zorgwoning. Appellante heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op 17 januari 2012 een verhuiskostenvergoeding aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college de gevraagde voorziening afgewezen omdat appellante is verhuisd voordat de aanvraag werd ingediend, appellante geen beperkingen in het normale gebruik van de woning heeft en de door CIZ geïndiceerde thuisbegeleiding niet afhankelijk is van de woning waarin appellante woont.

1.3.

Bij besluit van 16 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2012 ongegrond verklaard. Volgens het college is het niet aannemelijk dat de kosten die gemoeid zijn met het aanbrengen van voorzieningen om appellante in haar beperkingen te compenseren hoger zouden zijn uitgevallen uitvallen dan het voor het verhuisprimaat geldende normbedrag van € 10.000,-. Omdat appellante in [plaats] ook al thuisbegeleiding ontving, is haar zorgbehoefte niet afhankelijk van de woning. Een onderzoek naar de medische noodzaak tot verhuizing had voorafgaand aan een besluit op de aanvraag moeten plaatsvinden omdat het college nu voor voldongen feiten is gesteld. Appellante had vóór de verhuizing contact moeten opnemen met het Wmo-loket.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het college op grond van het gestelde in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlemmermeer 2011 (Verordening) terecht geen voorziening aan appellante heeft toegekend, omdat zij ten tijde van het indienen van de aanvraag niet meer woonde in de gemeente Haarlemmermeer. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afwijken van het woonplaatsbeginsel. Appellante had voorafgaande aan de verhuizing een voorlopige aanvraag kunnen indienen.

3. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 4 Wmo, aangevoerd dat de rechtbank op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan het woonplaatsbeginsel. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat appellante een voorlopige aanvraag had kunnen indienen. Verder waren de psychosociale omstandigheden van appellante zodanig dat deze haar noodzaakten te verhuizen en voor het college aanleiding hadden moeten zijn om de hardheidsclausule toe te passen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder c van de Verordening is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de ondersteuningsvrager niet woonachtig is in de gemeente Haarlemmermeer.

4.2.

In artikel 3.13, tweede lid, aanhef en onder a van de Verordening is bepaald, voor zover hier van belang, dat de aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding wordt geweigerd indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat het college op de aanvraag heeft beschikt.

4.3.

De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een andere grondslag dan die waarop het bestreden besluit rust. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat appellante niet woonde in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl de afwijzing in het bestreden besluit door het college op andere gronden is gebaseerd. De rechtbank heeft daardoor gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin de afbakening van de omvang van het geding is neergelegd. De Raad zal beoordelen of het bestreden besluit op de grondslag waarop het dagelijks bestuur dat besluit heeft gebaseerd in rechte stand houdt.

4.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij betrokkene ten tijde van de verhuizing sprake was van beperkingen of psychosociale problemen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6, van de Wmo, waardoor het normale gebruik van de woning aan de [adres 1] werd beperkt en vervolgens op de vraag of, gelet op het tijdstip waarop appellante haar aanvraag heeft ingediend, de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening nog kan worden vastgesteld.

4.5.

Het college heeft in het bestreden besluit van 10 mei 2012 uiteengezet dat de fysieke beperkingen van appellante met betrekkelijk eenvoudige voorzieningen konden worden gecompenseerd en dat niet aannemelijk is geworden dat de daarmee gemoeide kosten de grens van het verhuisprimaat van € 10.000,- zouden overtreffen. Het college heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat de fysieke beperkingen geen grond vormden voor toewijzing van de gevraagde voorziening.

4.6.

Verder is niet in geschil dat de aan appellante op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verstrekte zorg (begeleiding) aan haar is verstrekt zowel in de oude als in de nieuwe woning. Het college heeft in de verstrekking van deze zorg daarom terecht geen aanleiding gezien de aanvraag toe te wijzen

4.7.

Voor wat betreft de psychosociale problemen als gevolg van de ruzie met de buurvrouw constateert de Raad dat, hoewel appellante deze problemen in bezwaar heeft opgevoerd, het college geen onderzoek heeft verricht naar de aard en omvang van deze problemen en de belemmeringen die dit opleverde in het gebruik van de oude woning. Dit leidt echter niet tot rechtens relevante gevolgen omdat appellante, door niet eerder met haar problemen bij de gemeente aan te kloppen en daarbij in strijd met artikel 3.13, tweede lid, aanhef en onder a van de Verordening pas een verhuiskostenvergoeding aan te vragen nádat zij was verhuisd, aan het college de mogelijkheid heeft ontnomen om alternatieven voor een verhuizing met partijen te inventariseren en in de praktijk te beproeven. Het gevolg daarvan is dat het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening achteraf niet meer heeft kunnen beoordelen. De omstandigheid dat appellante wel overleg heeft gehad met de woningbouwvereniging en de politie over haar problemen met de buurvrouw doet aan het voorgaande niet af. Ook deze grond slaagt niet.

4.8.

De Raad is voorts van oordeel dat het college met juistheid heeft geoordeeld dat in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.9.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard en de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G. van Zeben - de Vries en

R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) G.J. van Gendt

CVG