Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
13-32 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7029, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering faillissementsuitkering. Ruim 2 jaar later wordt aan appellant alsnog faillissementsuitkering toegekend. Vergoeding bezwaarkosten. Ingangsdatum wettelijke rente. Bij de berekening van de wettelijke rente moet worden uitgegaan van het bruto bedrag van € 40.810,23. Telkens na afloop van een jaar moet het bedrag waarover de rente wordt berekend worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 33
Werkloosheidswet 68
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/410
NJB 2014/2081
RSV 2015/30
USZ 2014/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/32 WW, 14/3945 WW

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 november 2012, 12/2292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.W. Walraven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. A.S.D. Lijkwan, advocaat, heeft als opvolgend gemachtigde nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft geantwoord op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellant en mr. Lijkwan zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

Het onderzoek ter zitting is geschorst voor nader beraad van het Uwv.

Op een van het Uwv ontvangen brief van 1 juli 2014 is door appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 juli 2014. Voor appellant is mr. Lijkwan verschenen. Het Uwv heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Evers.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 november 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering te verstrekken op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van
1 mei 2012 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van
11 november 2011 ongegrond verklaard en heeft het Uwv herhaald dat de vorderingen van appellant op zijn voormalige werkgever niet voor overneming in aanmerking komen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2. Bij de brief van 1 juli 2014 heeft het Uwv te kennen gegeven dat aan appellant alsnog een zogenoemde faillissementsuitkering wordt toegekend. De Raad heeft deze brief aangemerkt als een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2011 (bestreden besluit 2).

3.1.

Ter zitting is namens appellant naar voren gebracht dat hij niet langer het standpunt betrekt dat het Uwv de hoogte van de faillissementsuitkering onjuist heeft berekend. Hij heeft wel het standpunt gehandhaafd dat bij het bestreden besluit 2 is nagelaten bezwaarkosten te vergoeden en aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van
€ 40.810,23 bruto dat hem op grond van het bestreden besluit 2 zal worden betaald.

3.2.

Het Uwv heeft erkend dat in bezwaar om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is gevraagd. In verband met de gevraagde rentevergoeding heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat, anders dan is geoordeeld in ECLI:NL:CRVB:2013:2910, bij de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente rekening moet worden gehouden met de in artikel 4:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde betalingstermijn van zes weken. Volgens het Uwv bevat de WW na de wijziging van artikel 30, eerste lid, van de WW met ingang van 1 juli 2009 geen betalingstermijn meer bij toekenning van een uitkering.

Artikel 33, eerste lid, van de WW regelt in de visie van het Uwv geen termijn voor de betaling van de uitkering maar slechts een betaalfrequentie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Uwv heeft het bestreden besluit 2 in de plaats gesteld van het bestreden besluit 1. Dat betekent dat het bestreden besluit 1 en de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden
besluit 1 in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.

4.2.

Het bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4.3.

Uit artikel 7:15, eerste lid, van de Awb volgt dat het Uwv aan appellant, die daarom tijdig heeft verzocht, de kosten moet vergoeden die hij in verband met het inroepen van rechtsbijstand in bezwaar heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,-. Omdat bij het bestreden besluit 2 niet in vergoeding van bezwaarkosten is voorzien, zal dit besluit in zoverre worden vernietigd.

4.4.

Op grond van de artikelen 4:97 en 4:98 van de Awb heeft appellant aanspraak op wettelijke rente over het in 3.1 genoemde bedrag vanaf de datum waarop het Uwv in verzuim is. In artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan, indien een afwijzende beschikking tot betaling als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom, wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

4.5.

Op grond van artikel 127a, derde lid, van de WW beslist het Uwv over een aanvraag op grond van Hoofdstuk IV van de WW binnen zes maanden na de ontvangst daarvan. Niet is betwist dat de aanvraag van appellant op 19 oktober 2011 door het Uwv in ontvangst is genomen. Dat betekent dat uiterlijk op 18 april 2012 op de aanvraag van appellant beslist had moeten worden.

4.6.

Op grond van artikel 4:87 van de Awb betaalt het bestuursorgaan de verschuldigde geldsom binnen zes weken, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt of bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere termijn voor de betaling is vastgesteld.

4.7.

Volgens het Uwv moet de ingangsdatum van de wettelijke rente worden vastgesteld op 31 mei 2012, namelijk zes weken na 18 april 2012. Op die datum is sprake van verzuim van het Uwv, omdat dan na afloop van de beslistermijn van artikel 127a, derde lid, van de WW ook de betalingstermijn van artikel 4:87 van de Awb is verstreken. Het Uwv kan zich voor de ingangsdatum van de wettelijke rente niet vinden in de lijn die in de rechtspraak van periodieke betalingen is uitgezet met ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958 en ECLI:NL:CRVB:2013:2910. Volgens het Uwv regelt sinds 1 juni 2009 artikel 4:87 van de Awb de betalingstermijn en volgt uit artikel 33, eerste lid, van de WW bij een voortdurende uitkeringsrelatie slechts de frequentie van de volgende betalingen.

4.8.

Anders dan in ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958 en ECLI:NL:CRVB:2013:2910 gaat het in het geval van appellant om de verschuldigdheid van wettelijke rente over een eenmalige betaling. Het Uwv wordt gevolgd in zijn redenering dat artikel 33, eerste lid, van de WW
- gelet op de bewoordingen van die bepaling - een regeling behelst voor periodieke betalingen van WW-uitkering. Hoewel uit artikel 68, eerste lid, van de WW volgt dat artikel 33,

eerste lid, ook van toepassing zou zijn op de betaling van een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW, neemt de Raad tot uitgangspunt dat het eenmalige karakter van deze betaling ertoe leidt dat op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb een betalingstermijn geldt van zes weken en in dit geval geen betekenis toekomt aan de termijn genoemd in artikel 33, eerste lid, van de WW.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat op 31 mei 2012 sprake is geweest van verzuim van het Uwv, zodat vanaf deze dag wettelijke rente is verschuldigd. Bij de berekening van de wettelijke rente moet worden uitgegaan van het bruto bedrag van € 40.810,23. Telkens na afloop van een jaar moet het bedrag waarover de rente wordt berekend worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden vastgesteld op € 974,- in beroep en op € 1.461,- in hoger beroep, in totaal € 2.435,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2014 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarbij niet is beslist over de bezwaarkosten;

- stelt de bezwaarkosten vast op € 974,- en bepaalt dat met deze uitspraak het besluit van

1 juli 2014 in zoverre wordt aangevuld;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 4.8 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.R. van Ravenstein

HD