Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12-2042 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het verrichten van arbeid niet louter hypothetisch is. Geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek. Na de beëindiging in januari 2010 van de stage van betrokkene als recherche-assistent, heeft de korpschef geen andere activiteiten meer verricht die gericht waren op interne herplaatsing. De conclusie is dat artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp in de weg stond aan ontslagverlening met ingang van 1 september 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2042 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
13 maart 2012, 11/1600 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Flevoland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens de korpschef heeft mr. R.H. Bossen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.S. Muller een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013. Namens de korpschef zijn verschenen mr. Bossen en D. Meijers. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Muller.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de korpschef aan betrokkene met ingang van 1 september 2010 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Het door betrokkende daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juni 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 8 juli 2010 herroepen. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden als vereist in artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Uit rechtspraak van de Raad volgt dat van een herplaatsingsonderzoek als hier aan de orde slechts kan worden afgezien als het verrichten van arbeid wegens de gezondheid van de betrokkene als louter hypothetisch moet worden beschouwd. Nu uit het arbeidsdeskundig rapport van 12 januari 2010 blijkt dat betrokkene weliswaar 80-100% arbeidsongeschikt is maar onder voorwaarden nog wel werkzaamheden kan verrichten gedurende maximaal zestien uur per week, is het verrichten van arbeid niet louter hypothetisch. Dat de arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) geen voorbeelden van passende functies heeft kunnen vinden, maakt dit niet anders. Van de korpschef kan als werkgever van betrokkene immers ten minste worden verlangd dat deze serieus onderzoekt of binnen zijn gezagsbereik een passende functie voorhanden is, al dan niet door aanpassingen in een bestaande functie aan te brengen. Uit het arbeidsdeskundig rapport van 23 juli 2009 blijkt dat er binnen het gezagsbereik van de korpschef enkele functies voorhanden zijn die mogelijk passend zijn of passend te maken zijn. Het gevolgde re-integratietraject kan het vereiste herplaatsingsonderzoek niet vervangen. De korpschef kon bij het ontslagbesluit dan ook niet volstaan met de verwijzing naar de voortijdig afgebroken poging om betrokkene te re-integreren in de functie van recherche assistent en het besluit tot toekenning van een WGA-uitkering. Op basis van de beschikbare stukken staat vast dat de korpschef na 12 januari 2010 geen enkele poging heeft ondernomen om betrokkene tot hervatting van werkzaamheden van recherche-assistent te bewegen en evenmin activiteiten heeft ontplooid welke waren gericht op het vinden van andere passende arbeid binnen zijn gezagsbereik. Nu een zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheid van passende arbeid binnen het gezagsbereik van de korpschef nog niet was verricht en de re-integratie van betrokkene in de functie van recherche-assistent onnodig en vroegtijdig was beëindigd, moet de conclusie zijn dat de korpschef met het onderzoek door USG-Restart te vroeg is gestart met onderzoek naar passende arbeid buiten het gezagsbereik van de korpschef.

3.

De Raad overweegt naar aanleiding van wat de korpschef in hoger beroep heeft aangevoerd het volgende.

3.1.

Ingevolge artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp kan een ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte slechts plaatsvinden indien na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.

3.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 22 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8640) dat, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met ongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, een dergelijke bepaling door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht dient te worden genomen. Van een herplaatsingsonderzoek kan slechts worden afgezien als het verrichten van arbeid wegens de gezondheid van een betrokkene als louter hypothetisch moet worden beschouwd.

3.3.

De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het verrichten van arbeid hier niet louter hypothetisch is. Het feit dat de arbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van 12 januari 2010 heeft vastgesteld dat er, gelet op de zeer forse psychische en fysieke beperkingen en de urenbeperking (zestien uur), geen theoretische verdiencapaciteit aanwezig is, leidt, anders dan de korpschef heeft betoogd, niet tot een ander oordeel. Deze vaststelling van de arbeidsdeskundige laat immers de mogelijkheid onverlet dat binnen het gezagsbereik van de korpschef een functie voorhanden is die voor betrokkene passend kan worden gemaakt; de korpschef dient serieus te onderzoeken of zo’n functie aanwezig is.

3.4.

De korpschef heeft een dergelijk onderzoek niet uitgevoerd. Na de beëindiging in januari 2010 van de stage van betrokkene als recherche-assistent, heeft de korpschef geen andere activiteiten meer verricht die gericht waren op interne herplaatsing. De conclusie is dat artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp in de weg stond aan ontslagverlening met ingang van 1 september 2010.

3.5.

Nu er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden tot interne herplaatsing van betrokkene, kan de vraag of de korpschef voldoende en tijdig onderzoek heeft gedaan naar passend werk buiten zijn gezagsbereik buiten bespreking blijven.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep van de korpschef niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.

Er bestaat aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 974,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 466,- wordt geheven;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag

van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en

B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD