Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12-3668 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning van voorzieningen. Blijkens het besluit is er van het in samenspraak met de dienstleiding uitzetten van een concreet loopbaanpad in het geval van betrokkene geen sprake geweest. De minister heeft dus mogen oordelen dat van loopbaanafspraken als bedoeld in artikel 59, vierde lid, van het ARAR, in dit geval geen sprake was. Dat de zojuist bedoelde toekomstperspectieven op het aanvraagformulier zijn weergegeven onder het kopje “loopbaanafspraken”, kan dat, ook al is dat formulier medeondertekend namens de vestigingsdirectie, niet anders maken. Niet uit het oog verloren mag worden dat het bewuste formulier was bestemd voor aanvragen op grond van het Sociaal flankerend beleid, niet voor aanvragen om reguliere voorzieningen als thans aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3668 AW, 12/3768 AW, 12/5521 AW

Datum uitspraak: 6 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
24 mei 2012, 11/2199 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te[woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 6 augustus 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bellod. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.C. Carstens.

OVERWEGINGEN

1.

Betrokkene is werkzaam als complexbeveiliger in de Penitentiaire Inrichting Almere. Met ingang van 26 augustus 2009 is hij, en met hem het merendeel van het personeel in het gevangeniswezen, aangewezen als zogeheten fase-2-kandidaat. Volgens het Sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (Sociaal flankerend beleid) is in deze fase geen sprake meer van formatieve rust, maar zijn de organisatie en de betrokken medewerkers gedwongen in beweging te komen. Er geldt een verzwaard pakket aan voorzieningen, gericht op bevordering van mobiliteit en vergroting van de mogelijkheden tot herplaatsing.

1.1.

Op 12 november 2010 heeft de minister betrokkene laten weten dat hij met ingang van

15 december 2010 weer wordt ingedeeld in fase 1, dit vanwege een lage bezetting binnen zijn functiecategorie.

1.2.

Betrokkene heeft op 12 december 2010 middels een formulier, bestemd voor aanvragen om voorzieningen in het kader van het Sociaal flankerend beleid, verzocht om vergoeding van opleidingskosten en om studieverlof ten behoeve van een driejarige HBO-opleiding Bachelor Management. Onder het kopje “loopbaanafspraken” is op het formulier het volgende ingevuld:

“De bedoeling van deze opleiding is om in de toekomst een managementfunctie te krijgen, zoals: Projectmanager, Coördinator, Teamleider, manager algemeen, P&O-medewerker. Dit kan binnen en buiten DJI zijn.”

Het formulier is mede ondertekend namens de vestigingsdirecteur.

1.3.

Bij besluit van 28 januari 2011 is afwijzend op de aanvraag van betrokkene beslist. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 september 2011 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkene, gelet op het besluit van 12 november 2010, inmiddels niet meer is ingedeeld in fase 2, zodat hij niet meer in aanmerking komt voor aan die fase verbonden voorzieningen. Volledigheidshalve is, zo vermeldt het bestreden besluit verder, nagevraagd of wellicht sprake is van loopbaanafspraken in de zin van artikel 59, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De betrokken vestiging heeft bevestigd dat zodanige loopbaanafspraken er niet zijn.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank was met de minister van oordeel dat betrokkene, nu hij ten tijde van de besluitvorming naar aanleiding van zijn aanvraag weer was ingedeeld in fase 1, geen aanspraken kon ontlenen aan de regelingen voor fase-2-kandidaten. Het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, vierde lid, van het ARAR, is, aldus verder de rechtbank, echter onvoldoende gemotiveerd.

2.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 6 augustus 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het niet-toekennen van voorzieningen als bedoeld in artikel 59, vierde lid, van het ARAR nader is toegelicht. Dit besluit wordt in dit geding betrokken.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van betrokkene

3.1.

Betrokkene heeft laten weten hoger beroep te hebben ingesteld vanwege het hoger beroep van de minister, om zo geen beperkingen te ondervinden in de aan te voeren gronden. In het vervolg van de procedure heeft betrokkene enkel nog verweer gevoerd. Gezien het aldus ontbreken van inhoudelijke gronden, kan zijn hoger beroep niet slagen. Dat hij ter zitting van de Raad desgevraagd nog heeft verwezen naar de in bezwaar en beroep aangedragen gronden, kan dat niet anders maken. Betrokkene is door de rechtbank deels in het gelijk gesteld. Hetgeen door hem in bezwaar en beroep was aangedragen kan op zichzelf beschouwd, nu daaraan in hoger beroep niets is toegevoegd, dus niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Het hoger beroep van de minister

3.2.

Het hoger beroep van de minister ziet op het oordeel van de rechtbank dat het niet-toepassen van artikel 59, vierde lid, van het ARAR, bij het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dit hoger beroep slaagt evenmin. Het bestreden besluit vermeldt op dit punt enkel dat de vestigingsdirectie heeft laten weten dat er geen sprake is van loopbaanafspraken als bedoeld in genoemd artikellid. Het waarom van deze conclusie blijft geheel onbesproken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit daarmee in zoverre niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, dus worden bevestigd.

Het besluit van 6 augustus 2012

3.3.

Ingevolge artikel 59, vierde lid, van het ARAR worden aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken, studiefaciliteiten in de vorm van een volledige vergoeding van scholingskosten en 50% verlof met behoud van bezoldiging voor het volgen van de lessen en stages toegekend.

3.3.1.

De minister heeft laten weten in beginsel geen loopbaanafspraken in de zin van genoemd artikellid aanwezig te achten indien niet één of meer concrete functies zijn aangeduid die passen in een plausibel en realistisch loopbaanperspectief op niet al te lange termijn. Niet gezegd kan worden dat deze invulling als te beperkt moet worden beschouwd. Dat wordt niet anders doordat die invulling niet schriftelijk in een beleidsregel is vastgelegd.

3.3.2.

De conclusie van de minister dat in dit geval niet aan het zojuist weergegeven criterium is voldaan, is voorts, in aanmerking genomen de daarop bij het besluit van 6 augustus 2012 gegeven toelichting, niet rechtens onhoudbaar te achten. Op het aanvraagformulier is aangegeven welke mogelijke toekomstperspectieven de door betrokkene verkozen opleiding biedt. Dat is iets anders dan het schetsen van een realistisch uitzicht op één of meer concrete functies. Blijkens het genoemde besluit is er van het in samenspraak met de dienstleiding uitzetten van een concreet loopbaanpad in het geval van betrokkene geen sprake geweest. De minister heeft dus mogen oordelen dat van loopbaanafspraken als bedoeld in artikel 59, vierde lid, van het ARAR, in dit geval geen sprake was. Dat de zojuist bedoelde toekomstperspectieven op het aanvraagformulier zijn weergegeven onder het kopje “loopbaanafspraken”, kan dat, ook al is dat formulier medeondertekend namens de vestigingsdirectie, niet anders maken. Niet uit het oog verloren mag worden dat het bewuste formulier was bestemd voor aanvragen op grond van het Sociaal flankerend beleid, niet voor aanvragen om reguliere voorzieningen als thans aan de orde. Het beroep dat betrokkene wordt geacht te hebben ingesteld tegen het besluit van 6 augustus 2012, moet dus ongegrond worden verklaard.

4.

Er is ten slotte aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2012 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag

van € 974,-;

- bepaalt dat van de minister een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker

HD