Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
12-3059 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken dat de zoon van appellante de van hem gevergde gebruikelijke zorg in de hier aan de orde zijnde periode niet kon leveren. Onder de geschetste omstandigheden komt het voor risico en rekening van appellante dat niet nader kan worden vastgesteld of haar zoon medisch gezien in staat was de gebruikelijke zorg voor zwaar huishoudelijk werk te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3059 WMO

Datum uitspraak: 24 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

19 april 2012, 11/3490 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 16 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1267) een tussenuitspraak gedaan.

Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een brief van 10 juli 2014 ingezonden.

Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het standpunt van het college in de brief van

10 juli 2014.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

2. In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd voor wat betreft het standpunt van het college dat van de inwonende zoon van appellante, op grond van gebruikelijke zorg, mag worden verwacht dat hij over de periode van 9 januari 2011 tot 9 december 2013 twee uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden verricht. In de tussenuitspraak is het college opdracht gegeven om de zoon persoonlijk te horen, te bezien of medische gegevens over de gestelde gezondheidsproblemen van de zoon door hem kunnen worden overgelegd of met toestemming van hem kunnen worden verkregen, en ten slotte te bezien of er aanleiding is een arts onderzoek te laten verrichten naar de gezondheidssituatie van de zoon.

3.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een brief van 10 juli 2014 ingezonden, met daarbij gevoegd een sociaal medisch advies van 24 januari 2014 van TriviumPlus. Het college geeft aan dat de zoon medewerking aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot het verrichten van gebruikelijke zorg heeft geweigerd. Zo heeft de zoon geweigerd de arts en de indicatiesteller te woord te staan, heeft hij geen toestemming gegeven om contact op te nemen met zijn huisarts en heeft hij geen medewerking verleend aan een medisch onderzoek. Verder stelt het college dat de zoon in het kader van zijn uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een volledige arbeidsverplichting heeft.

3.2.

In reactie op de brief van het college van 10 juli 2014 is namens appellante te kennen gegeven dat haar zoon een aversie heeft ontwikkeld tegen contacten met, en bemoeienissen van, instanties en hij om die reden inderdaad de aan hem gevraagde medewerking heeft geweigerd. Dit neemt echter niet weg dat hij niet in staat is een bijdrage te leveren aan het huishouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op hetgeen in 3.1 en 3.2 is vermeld, heeft het college naar het oordeel van de Raad alle mogelijkheden aangewend om nader inzicht te verkrijgen in de medische situatie van de zoon, maar heeft de zoon om hem moverende redenen de van hem gevraagde medewerking geweigerd.

4.2.

Het college heeft onweersproken gesteld dat voor de zoon in het kader van zijn

WWB-uitkering een volledige arbeidsverplichting geldt en in dat verband niet is gebleken dat hij met beperkingen kampt. Appellante heeft voorts haar stelling dat haar zoon geen gebruikelijke zorg kan verlenen niet met objectieve (medische) gegevens onderbouwd.

4.3.

De Raad is gelet op de in 4.1 en 4.2 weergegeven omstandigheden van oordeel dat het college alsnog gedaan heeft wat uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit van hem gevergd kon worden en door het college voorts afdoende is gemotiveerd dat met de beschikbare gegevens niet is gebleken dat de zoon van appellante de van hem gevergde gebruikelijke zorg in de hier aan de orde zijnde periode niet kon leveren. Onder de geschetste omstandigheden komt het voor risico en rekening van appellante dat niet nader kan worden vastgesteld of haar zoon medisch gezien in staat was de gebruikelijke zorg voor zwaar huishoudelijk werk te bieden.

4.4.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen dienen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te worden gelaten.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 28 september 2011 gegrond en vernietigt dat

besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.191,50;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.D.F. de Moor

nk