Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
13 _ 1640 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bevordering naar de rang van adjudant onderofficier met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1640 MAW

Datum uitspraak: 30 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 februari 2013, 12/9535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M. Groenhart hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groenhart. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Rentema. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [getuige], wonende te [plaats].

OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam bij de Koninklijke Landmacht. Met ingang van 1 december 2008 is hem de functie toegewezen van projectmedewerker administratie bij het Bureau van Werk naar Werk van het Personeelscommando. Dit bureau was op dat moment ingesteld als projectorganisatie met als doel opgenomen te worden in de formatie die zou worden bekrachtigd door middel van het reorganisatieplan PERSCO fase 3. Feitelijk vervulde appellant de functie van Hoofd Bureau Administratieve Ondersteuning.

1.1.

Op 19 oktober 2009 is de functie van Hoofd Bureau Administratieve Ondersteuning gewaardeerd. Aan de functie is de rang van sergeant-majoor verbonden. Dit was de rang die appellant op dat moment al bekleedde.

1.2.

De reorganisatie PERSCO fase 3 heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. Het Personeelscommando is opgegaan in het Personeel Logistiek Commando (PLC) van de Niet Operationele Staven Commando Landstrijdkrachten (NOS CLAS). De nieuwe werkorganisatie NOS CLAS is van start gegaan op 22 november 2010.

1.3.

Bij besluit van 12 oktober 2011 is appellant, met ingang van 1 september 2011, geplaatst in de functie van Hoofd Administratieve Ondersteuning bij het bureau Werk naar Werk binnen het PLC. Aan de functie is de rang van adjudant onderofficier verbonden. Appellant is met ingang van 22 november 2010 naar deze rang bevorderd.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 12 oktober 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant is van mening dat de bevordering naar de rang van adjudant onderofficier al met ingang van 1 december 2008 had moeten plaatsvinden. Dat resultaat kan in dit geding niet worden bereikt. Het in geding zijnde plaatsingsbesluit van 12 oktober 2011 heeft geen betrekking op de rechtspositie van appellant voorafgaand aan die plaatsing. Dat wordt niet anders doordat de met de plaatsing samenhangende bevordering met terugwerkende kracht tot 22 november 2010 heeft plaatsgevonden. Dit laatste vloeit voort uit de Circulaire Uitvoering Reorganisaties Defensie, nummer A/965, die bepaalt dat rechtspositionele gevolgen van de instelling van een werkorganisatie, met inachtneming van de geldende regels van het functietoewijzingsproces, gelden met terugwerkende kracht tot de datum van instelling van de werkorganisatie. De circulaire voorziet niet in verdergaande terugwerkende kracht dan tot aan die datum, en behoefde dat ook niet te doen. Appellant heeft noch tegen de functietoewijzing per 1 december 2008, noch tegen de waardering van zijn toenmalige functie rechtsmiddelen aangewend. Deze besluitvorming is dus inmiddels rechtens onaantastbaar geworden.

3.2.

Gelet op het overwogene onder 3.1, kunnen de verklaringen die appellant en de op zijn verzoek gehoorde getuige ter zitting van de Raad hebben afgelegd, appellant niet baten. Appellant heeft benadrukt dat de werkzaamheden die hij voorafgaand aan de plaatsing in zijn nieuwe functie heeft verricht, niet anders waren dan de werkzaamheden die hij nadien heeft verricht. Verder begrijpt de Raad dat appellant indertijd uit uitlatingen van de getuige heeft opgemaakt dat de functiewaardering van 19 oktober 2009 zou worden heroverwogen. Deze omstandigheden, wat daarvan verder ook zij, raken niet de met het besluit van 12 oktober 2011 tot stand gebrachte plaatsing. Het besluit van 19 oktober 2009 betrof immers niet de hier aan de orde zijnde functie, maar de vorige functie van appellant.

3.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.W. Munneke

HD