Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
30-10-2014
Zaaknummer
13-5169 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verlenging Bbz-uitkering. Geen levensvatbaar bedrijf. Het college heeft niet aan appellante en evenmin meer in het algemeen laten weten dat voor het bestuursorgaan bestemde berichten in plaats van via verzending per post of afgifte langs elektronische weg kunnen worden toegezonden. Appellante heeft geen aanvraag ingediend die voldoet aan de vereisten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2014/396
JB 2014/251
USZ 2014/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5169 BBZ

Datum uitspraak: 28 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

8 augustus 2013, 12/1827 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Vonk en drs. A. Bruinse.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft van 1 juli 2009 tot 1 november 2009 bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) ontvangen. Het college heeft de aanvraag van appellante voor verlenging van haar Bbz-uitkering afgewezen op de grond dat haar onderneming niet levensvatbaar wordt geacht. Op verzoek van appellante heeft het college haar met ingang van 1 november 2009 tot uiterlijk 1 november 2010 bijstand verleend als beëindigende zelfstandige, in de vorm van een renteloze lening.

1.2.

Appellante heeft op 14 oktober 2011 een e-mailbericht aan [naam], consulente Bbz/Ioaz van de gemeente [naam gemeente] (consulente) gezonden. In dit

e-mailbericht heeft zij onder meer vermeld: “Omdat mijn bedrijf wel levensvatbaar was en nog steeds is vraag ik schuldhulpsanering aan cq. een krediet om niet, om alle schulden te kunnen betalen”. De consulente heeft bij e-mailbericht van 14 oktober 2011 als volgt gereageerd: “Beste [appellante], hierbij laat ik u weten, dat ik uw mails van

12 en 14 oktober 2011 ontvangen heb. Zodra dit mogelijk is kom ik erop terug”.

1.3.

Naar aanleiding van telefonisch contact tussen appellante en de consulente heeft laatstgenoemde bij e-mailbericht van 13 december 2011 aan appellante kenbaar gemaakt dat op telefonisch aan haar verstrekte informatie geen besluit kan worden genomen. Daarbij heeft de consulente meegedeeld dat sprake moet zijn van een aanvraag en dat die er niet is. Verder heeft de consulente aan appellante meegedeeld op welke wijze en bij welke instantie zij in aanmerking kan komen voor schuldhulpverlening.

1.4.

Appellante heeft bij brief van 21 januari 2012 het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 14 oktober 2011.

1.5.

Bij brief van 1 februari 2012 heeft de consulente aan appellante - onder meer en onder verwijzing naar haar e-mailbericht van 13 december 2011 - meegedeeld dat het e-mailbericht van 14 oktober 2011 niet wordt aangemerkt als een aanvraag omdat niet is voldaan aan de vormvereisten voor een aanvraag. Aangezien geen aanvraag is ingediend, zal ook geen besluit worden genomen.

1.6.

Bij brief van 3 juni 2012 heeft appellante het college verzocht om uitbetaling van de verbeurde dwangsom van € 1.260,- omdat de bij de ingebrekestelling gegeven termijn is verstreken zonder dat het college een beslissing heeft genomen op de aanvraag van 14 oktober 2011.

1.7.

Het college heeft bij besluit van 15 juni 2012 aan appellante meegedeeld dat geen dwangsom is verbeurd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat op 14 oktober 2011 geen aanvraag is gedaan, dat geen beslistermijn is gaan lopen en dus ook geen beslistermijn is overschreden, zodat het college geen dwangsom is verschuldigd.

1.8.

Appellante heeft op 6 augustus 2012 beroep ingesteld tegen de weigering van het college te beslissen op de aanvraag en het niet overgaan tot betaling van de dwangsom.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij op 14 oktober 2011 per e-mailbericht een aanvraag heeft ingediend voor schuldhulpsanering/krediet om niet. De consulente bij wie de aanvraag was binnengekomen, heeft te kennen gegeven hierop terug te komen, waarmee de aanvraag in behandeling is genomen. Appellante heeft, anders dan vereist ingevolge artikel 2:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet spoedig het bericht gekregen dat de aanvraag niet werd geaccepteerd als zijnde volledig en correct ingediend. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat ingevolge de Dienstenwet van rechtswege een positieve beschikking aan haar is verleend, doordat een beslissing op de aanvraag is uitgebleven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg. In artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Awb is neergelegd in welke gevallen het bestuursorgaan elekronisch verschafte gegevens en bescheiden dan wel een elektronisch verzonden bericht kan weigeren. Ingevolge artikel 2:15, vierde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan een weigering op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk aan de afzender mede.

4.2.

Ingevolge artikel 4.1 van de Awb wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

4.3.

Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, van de Awb wordt de aanvraag ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

Ingevolge het tweede lid, verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.4.

Voorop staat dat het college de elektronische weg als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb niet heeft geopend voor het indienen van een aanvraag. Het college heeft niet aan appellante en evenmin meer in het algemeen laten weten dat voor het bestuursorgaan bestemde berichten in plaats van via verzending per post of afgifte langs elektronische weg kunnen worden toegezonden. De consulente heeft in dit geval bovendien appellante telefonisch laten weten dat een aanvraag niet via een e-mailbericht kan worden gedaan. Anders dan appellante betoogt heeft de consulente in het e-mailbericht van 14 oktober 2011 niet meegedeeld dat een aanvraag van appellante in behandeling is of zal worden genomen. De consulente heeft immers in reactie op het e-mailbericht van appellante van 14 oktober 2011 alleen de ontvangst van de e-mailberichten van appellante bevestigd. Het beroep van appellante op artikel 2:15, vierde lid, van de Awb slaagt niet, omdat de daarin opgenomen weigering ziet op een weigering als bedoeld in het tweede en derde lid van dat artikel. Van het weigeren in de zin van het tweede en derde lid kan eerst sprake zijn indien de elektronische weg voor een bericht is geopend, waarvan hier zoals eerder is overwogen, geen sprake is.

4.5.

Appellante is in het e-mailbericht van 14 oktober 2011 ingegaan op de drie door haar ontvangen beschikkingen in het kader van de Bbz. Zij geeft daarbij tussen de passages die over de beschikkingen gaan ook aan dat gebleken is dat haar bedrijf wel levensvatbaar was en nog steeds is en dat zij schuldhulpverlening casu quo een krediet aanvraagt om niet, om alle schulden te betalen. Zij stelt aan het einde van het bericht dat zij graag zo spoedig mogelijk van de consulente wil vernemen, zodat zij met de consulente spijkers met koppen kan slaan en de schade niet nog groter wordt. Dit bericht kan niet worden aangemerkt als een aanvraag. Het voldoet niet aan het in artikel 4:1 van de Awb opgenomen schriftelijkheidsvereiste en ook niet aan de in artikel 4:2 van de Awb vermelde vereisten. Het bericht is niet ondertekend, vermeldt niet het adres van appellante, maar bovenal blijkt daaruit niet wat appellante wenst, tot welk bedrag en op grond van welke regeling. Na dit e-mailbericht heeft, zo blijkt uit 1.3, telefonisch contact plaatsgevonden tussen de consulente en appellante, gevolgd door een

e-mailbericht van de consulente van 13 december 2011. Uit de brief van 1 februari 2012 blijkt dat appellante heeft bevestigd dat zij weet op welke wijze zij een aanvraag op grond van het Bbz moet doen en welke gegevens zij daarbij dient aan te leveren, maar dat zij op deze wijze geen aanvraag wil doen. Ten slotte is van belang dat de consulente in het e-mailbericht van

13 december 2011 appellante heeft verwezen naar instanties waar zij terecht kan voor schuldhulpverlening.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellante geen aanvraag heeft ingediend die voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4.7.

De stelling van appellante dat hier op grond van de Dienstenwet sprake is van een positieve fictieve beschikking slaagt niet, reeds omdat geen aanvraag is ingediend.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2014..

(getekend) C. van Viegen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD