Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
14-25 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat betrokkene niet woonde op haar GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/25 WSF

Datum uitspraak: 29 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 november 2013, 13/2087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.A.S. Jansen, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Jansen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, over het jaar 2012 aan betrokkene studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Betrokkene staat vanaf 18 januari 2005 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [Adres A.] te [woonplaats], het adres van haar grootouders.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft appellant betrokkene vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.905,40, dat als gevolg van de herziening te veel aan betrokkene is betaald, teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 oktober 2012 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft appellant ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat betrokkene niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op 4 september 2012 op het GBA-adres van betrokkene waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 6 september 2012 en een proces-verbaal van 4 oktober 2012.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat het onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Omdat nader onderzoek naar de feitelijke woonsituatie ten tijde hier aan de orde niet mogelijk is, heeft de rechtbank het besluit van

24 oktober 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkene niet woonde op haar GBA-adres. Daartoe is het volgende overwogen. Uit het proces-verbaal kan niet worden opgemaakt of, en zo ja op welke wijze, de controleurs zijn nagegaan aan wie de in de kamer van betrokkene aangetroffen kledingkast, dozen, kaptafel met nagellak, make-up en sieraden toebehoren. Ook blijkt uit het proces-verbaal niet dat de controleurs hebben gevraagd of in de kledingkast en of in de dozen, spullen van betrokkene zaten en op welke plekken het onderzoek in de kamer was gericht. De conclusie in het proces-verbaal dat in de onderzochte kamer geen poststukken, administratie of studieboeken van betrokkene zijn aangetroffen en niets erop wijst dat deze in gebruik is als slaapkamer van betrokkene, wordt aldus niet gedragen door de onderzoeksbevindingen en is dus onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de stellingen van betrokkene dat, en waar, zich persoonlijke spullen van haar bevonden op die kamer, niet kunnen worden geverifieerd. Verder is overwogen dat betrokkene een verklaring heeft gegeven over de opstelling van het matras op het bed en de strijkplank op de kamer. Dat oma heeft verklaard dat alle aanwezige spullen in de kamer van haar en haar man waren, is op zich onvoldoende voor de aanname dat betrokkene daar niet woonde, te minder omdat oma ook heeft verklaard dat betrokkene daar altijd slaapt. Verder ziet de rechtbank aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de weergave in het proces-verbaal van de door [naam D.], bewoonster van het adres [Adres B.] (hierna: [naam D.]), tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring. De verbalisanten hebben geen gebruik gemaakt van een door [naam D.] als getuige afgelegde en door haar ondertekende verklaring. Betrokkene heeft een door [naam D.] ondertekende schriftelijke verklaring overgelegd waarin wordt ontkend dat zij tegen de verbalisanten heeft gezegd dat betrokkene daar niet woonde en waarin zij verklaart dat betrokkene woont op het GBA-adres, welke verklaring niet ongeloofwaardig is. Verder wordt door de rechtbank betekenis gehecht aan de verklaringen van de buurvrouwen van de adressen [Adres C.] en[Adres D.] die verklaren dat betrokkene al langdurig op haar GBA-adres woont. Ten slotte wordt overwogen dat de grote hoeveelheid aan betrokkene op haar GBA-adres gerichte post van diverse instanties een indicatie vormt dat betrokkene daar ook woont.

3.1.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van de controleurs bij het huisbezoek onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het door hem ingenomen standpunt dat betrokkene niet woonde op haar GBA-adres. Appellant heeft een door [naam D.] tegenover de controleurs afgelegde en ondertekende verklaring van 9 januari 2014 overgelegd, waarin

[naam D.] verklaart dat haar eerste verklaring tegenover de controleurs juist is en zij daarbij blijft, dat zij geen verklaring aan betrokkene heeft verstrekt waarin is aangegeven dat er ook een meisje op het adres [Adres A.] woont, dat de bewoners van [Adres A.] nooit bij haar aan de deur zijn geweest, dat zij het idee heeft dat de bewoners van [Adres A.] haar naam zonder haar toestemming gebruiken en zij aan hen nooit een kopie van haar legitimatiebewijs heeft gegeven.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene ten tijde van belang niet woonde op haar GBA-adres. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.

4.3.

De in hoger beroep door appellant overgelegde verklaring van [naam D.] van 9 januari 2014 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Gelet op wat betrokkene ter zitting heeft verklaard over de wijze waarop zij de door haar in beroep ingebrachte verklaring van [naam D.] heeft verkregen, is de Raad er niet van overtuigd dat [naam D.] op 9 januari 2014 een betrouwbare verklaring heeft afgelegd jegens de controleurs. Maar ook als er geen twijfel zou bestaan aan de betrouwbaarheid van die verklaring dan zou dit niet leiden tot het oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet woonde op haar GBA-adres. Dit vanwege de in de aangevallen uitspraak geconstateerde gebreken in het proces-verbaal van bevindingen van het huisbezoek op het GBA-adres. Voorts komt in deze betekenis toe aan de door betrokkene in beroep en hoger beroep overgelegde verklaringen van buurtbewoners, die allen verklaren dat betrokkene reeds sedert vele jaren bij haar grootouders woont.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger

beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt en de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, is er aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) G.J. van Gendt

HD