Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12-3524 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Er is geen grond voor het oordeel dat de herplaatsingsinspanningen van de minister niet toereikend zijn geweest. Bij dit oordeel weegt mee dat de verplichting tot het leveren van herplaatsingsinspanningen die voortvloeit uit eisen van zorgvuldigheid niet zo ver strekt als de verplichting die is gebaseerd op rechtspositionele regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/128
Module Ambtenarenrecht 2016/1677

Uitspraak

12/3524 AW

Datum uitspraak: 6 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

2 mei 2012, 10/7855 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van VROM.

Namens appellant heeft mr. R. Verspaandonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verspaandonk. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1951, was vanaf 1972 in dienst van het toenmalige ministerie van

VROM. Laatstelijk vervulde hij de functie van medewerker Administratieve Organisatie

(AO) - Interne Controle (IC) bij de afdeling AO-IC van de dienst VROM Administratiekantoor (VAK).

1.2. Over het functioneren van appellant zijn in oktober 2006, mei 2008 en maart 2009 beoordelingen opgemaakt. Tegen de vaststelling van de eerste beoordeling heeft appellant geen bezwaar gemaakt. De besluiten waarbij de tweede en derde beoordeling zijn vastgesteld zijn in bezwaar en beroep in stand gebleven. De Raad heeft bij zijn uitspraak van

29 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8918, de desbetreffende uitspraken van de rechtbank bevestigd.

1.3. Na een voornemen daartoe heeft de minister bij besluit van 26 april 2010 appellant met ingang van 1 juni 2010 ontslag verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.4. Bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In hoger beroep is niet meer in geschil dat appellant, gelet op de inhoud van de over zijn functioneren vastgestelde en in rechte vaststaande beoordelingen, ongeschikt is voor de door hem vervulde functie en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om de tekortkomingen in zijn functioneren te verbeteren.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen om hem elders te werk te stellen.

3.3.

Er is geen wettelijk voorschrift op grond waarvan de minister verplicht was een herplaatsingsonderzoek te doen voordat aan appellant ongeschiktheidsontslag werd verleend. Zo’n verplichting kan in bijzondere gevallen ook voortvloeien uit eisen van zorgvuldigheid (CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739).

3.4.

In dit geval ziet de Raad in het langdurige dienstverband en de leeftijd van appellant ten tijde van het ontslag bijzondere omstandigheden gelegen om een verplichting van de minister aan te nemen om herplaatsingspogingen te ondernemen.

3.5.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de minister de volgende activiteiten heeft ontplooid om appellant aan ander werk te helpen. In juni 2007 is appellant een aanbod gedaan voor een passende functie bij de afdeling Verificatie binnen VAK. Appellant voelde hier aanvankelijk niet voor, en toen hij in november 2007 alsnog voor die functie in aanmerking wilde komen, was die functie niet meer voorhanden. In 2009 heeft de minister appellant een outplacementtraject aangeboden bij bureau d3P. De outplacementbegeleiding heeft zes maanden geduurd. Verder heeft appellant enige begeleiding gekregen van een mobiliteitsadviseur binnen het ministerie van VROM. Tot slot is appellant na het ontslag nog een re-integratietraject bij USG Restart aangeboden. Dit traject heeft gelopen tot het voorjaar van 2013.

3.6.

Voor het functieaanbod in juni 2007 geldt dat dit te vroeg kwam, omdat ongeschiktheidsontslag van appellant toen nog niet in zicht was. Het traject bij USG Restart kwam pas op gang toen appellant al uit dienst was getreden. Maar ook wanneer deze activiteiten buiten beschouwing worden gelaten, is er geen grond voor het oordeel dat de herplaatsingsinspanningen van de minister niet toereikend zijn geweest. Bij dit oordeel weegt mee dat de verplichting tot het leveren van herplaatsingsinspanningen die voortvloeit uit eisen van zorgvuldigheid niet zo ver strekt als de verplichting die is gebaseerd op rechtspositionele regelgeving.

3.7.

Hieruit volgt dat de minister bevoegd was om met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR tot ontslag van appellant over te gaan. Voorts kan niet worden gezegd dat de minister niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD