Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
30-10-2014
Zaaknummer
13-4290 VALYS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorziening in de vorm van een hoog persoonlijk kilometerbudget. De rechtbank heeft de aanvraag ten onrechte aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Geen aanleiding het advies van de bezwaararts, dat appellante ondanks haar problematiek in staat moet worden geacht om met een begeleider per trein te reizen, voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4290 VALYS

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 juni 2013, 12/5982 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Argonaut Advies B.V. (Argonaut)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Argonaut heeft een verweerschrift en een medisch rapport van 26 september 2013 van
drs. J.D. Reijnen-de Jager, werkzaam als arts bij Argonaut, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2014. Appellante is verschenen. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové en

drs. Reijnen-de Jager.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 9 juli 2012 bij Argonaut een voorziening aangevraagd in de vorm van een hoog persoonlijk kilometerbudget (hoog pkb).

1.2.

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft Argonaut de aanvraag afgewezen.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 8 augustus 2012 bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft zij een brief van 13 september 2012 van M. Verboom, als sociaal psychiatrisch verpleegkundige werkzaam bij GGZ in Geest, verstrekt. In deze brief heeft Verboom medegedeeld dat appellante onder behandeling is bij de Poli Depressie vanwege een depressie en complexe PTSS. Door de complexe PTSS heeft zij snel last van triggers, waardoor zij in paniek kan raken, zeker bij reizen in het openbaar vervoer.

1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft de bezwaararts R.V. Braber in zijn advies van
29 oktober 2012 onder meer overwogen dat appellante gezien haar psychiatrische problematiek niet in staat is om zelfstandig per trein te reizen. Appellante huurt bij het reizen per trein een begeleider in die dan weer naar huis moet reizen. Argonaut hoeft er in haar beoordeling geen rekening mee te houden of iemand over eigen begeleiding kan beschikken. Argonaut dient enkel te toetsen of iemand medisch en ergonomisch gezien in staat moet worden geacht om met de trein te reizen. De indicatiesteller heeft naar zijn mening terecht vastgesteld dat er weliswaar chronisch toetsbare persoonsgebonden medische beperkingen zijn, maar deze maken het reizen per trein niet onmogelijk. Daarnaast is niet gebleken dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van de in het Protocol inzake de afhandeling van indicatie aanvragen hoog persoonlijk kilometerbudget Bovenregionaal Vervoer Gehandicapten, versie 1 oktober 2007, (Protocol) vastgelegde criteria.

1.5.

Bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit) heeft Argonaut het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2012 ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de bezwaararts van 29 oktober 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat met de aanvraag van
9 juli 2012 hetzelfde is beoogd als met twee eerdere aanvragen van 27 januari 2009 en

7 mei 2012, namelijk het verkrijgen van een hoog pkb. Argonaut heeft deze aanvragen bij besluiten van 27 februari 2009 en 15 mei 2012 afgewezen. De rechtbank heeft gelet hierop de aanvraag van 9 juli 2012 aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante bij de aanvraag geen nieuwe (medische) informatie heeft overgelegd. Zij heeft bij de aanvraag verwezen naar de medische informatie die zij in de voorafgaande aanvraag heeft overgelegd. In bezwaar heeft zij weliswaar een verklaring van Verboom van 13 september 2012 overgelegd, maar deze verklaring komt inhoudelijk overeen met de verklaring van Verboom van 7 maart 2012 die bij de tweede aanvraag van 7 mei 2012 is overgelegd. Uit de door appellante in beroep overgelegde medische stukken blijkt evenmin dat de medische situatie van appellante sinds haar vorige aanvraag is gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet gebleken. De door appellante aangevoerde beroepsgronden kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3.1.

Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Zij voert aan dat zij door haar lichamelijke en geestelijke klachten is beperkt om zelfstandig te reizen. Zij heeft van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam in maart 2013 een voorziening in de vorm van Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) in Amsterdam ontvangen. Verder voert zij aan dat in haar geval wel degelijk sprake is van een veranderde medische situatie. Op 29 april 2013 is namelijk vastgesteld dat zij lijdt aan het Obstructieve Slaapapneusyndroom (OSAS).

3.2.

Argonaut heeft in het verweerschrift samengevat het volgende naar voren gebracht. De rechtbank heeft de aanvraag van 9 juli 2012 terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag, nu appellante aan de aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De door appellante gestelde veranderde medische situatie, te weten het feit dat zij lijdt aan het OSAS, is pas op 29 april 2013 en dus na de aanvraag van 9 juli 2012 vastgesteld. De nieuwe medische gegevens zijn ter beoordeling voorgelegd aan
drs. Reijnen-de Jager. In haar rapport van 26 september 2013 heeft zij geoordeeld dat het voorstelbaar is dat de klachten van vermoeidheid, concentratieproblemen en slaperigheid als gevolg van het OSAS maken dat appellante niet alleen kan reizen. Voorts is geoordeeld dat appellante dit kan oplossen door het meenemen van een begeleider bij het reizen. Zij is zelf verantwoordelijk voor het regelen van een begeleider bij het reizen indien zij dit wenst of indien dit noodzakelijk is. Verder heeft Argonaut naar voren gebracht dat de voorziening in de vorm van AOV een voorziening is op grond van een andere wettelijke regeling, waarvoor andere voorwaarden gelden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft de aanvraag van 9 juli 2012 ten onrechte aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, reeds omdat de voor de beoordeling van een aanvraag als de onderhavige relevante feiten en omstandigheden naar hun aard gewijzigd kunnen zijn waarmee een nieuw beoordelingsmoment is gegeven (zie bijvoorbeeld ook CRvB 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1615). Dit betekent dat de rechtbank een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of Argonaut het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2012 terecht ongegrond heeft verklaard.

4.3.

In het Protocol is het volgende bepaald:

“De aanvrager komt in aanmerking voor een hoog pkb wanneer:

1. De aanvrager beschikt over een Valys-pas, en

2. niet in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder, en

3. gebruik moet maken van een rolstoel of scootmobiel waarvan gewicht en/of maatvoering in combinatie met de aanvrager (de zogenaamde “mens-machinecombinatie”) zodanig is dat reizen per trein onmogelijk is, en/of

4. door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is, al dan niet met begeleiding, met de trein te reizen.”

4.4.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of is voldaan aan de laatste voorwaarde.

4.5.

Argonaut stelt zich terecht op het standpunt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Hoewel het begrijpelijk is dat appellante het reizen per trein door het PTSS en de paniekaanvallen die daardoor kunnen optreden als belastend ervaart, is daarmee niet gegeven dat appellante niet in staat is om te reizen met een begeleider, die haar bij eventuele paniekaanvallen steun kan bieden. De Raad vindt in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding het advies van de bezwaararts, dat appellante ondanks haar problematiek in staat moet worden geacht om met een begeleider per trein te reizen, voor onjuist te houden. Appellante heeft in hoger beroep medische gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij aan het OSAS lijdt, maar deze gegevens hebben na een beoordeling door een arts van Argonaut niet tot een andere conclusie geleid. Nu er geen reden is tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door Argonaut, ziet de Raad geen aanleiding om een medische deskundige te benoemen.

4.6.

Het gegeven dat appellante in aanmerking is gebracht voor een voorziening in de vorm van AOV in Amsterdam, betekent niet dat zij ook in aanmerking voor een hoog pkb komt. Het gaat immers om de toepassing van twee verschillende regelingen waarin verschillende toekenningscriteria van toepassing zijn.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Argonaut het bezwaar tegen het besluit van
8 augustus 2012 terecht ongegrond heeft verklaard. Daaruit vloeit voort dat de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal verklaren.

5. Aanleiding bestaat Argonaut op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de reiskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op een bedrag van
€ 25,52.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2012 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat Argonaut het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- aan appellante vergoedt;

  • -

    veroordeelt Argonaut in de reiskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van
    € 25,52.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) D. van Wijk

RH