Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
12-3170 AIO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2041, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb is met het nadere besluit geheel aan de bezwaren van appellante tegen het besluit van 1 juni 2011 tegemoetgekomen. Wettelijke rente. Geen grond voor toewijzing van een verdere vergoeding van materiële schade als gevolg van de niet tijdige betaling van de AIO-aanvulling. Geen immateriële schadevergoeding. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig onder de besluitvorming van de Svb heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3170 AIO

Datum uitspraak: 21 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2012, 11/4511 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Verbeek.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. De Svb heeft vervolgens een nader besluit, gedateerd 17 januari 2014, genomen. Appellante heeft daarop bij brief van 11 februari 2014 gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat de Svb niet volledig aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.

De zaak is opnieuw aan de orde gesteld op de zitting van 29 juli 2014, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds geruime tijd een gedeeltelijk ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Het pensioen is gekort met 62 % wegens 31 niet verzekerde jaren. In aanvulling hierop heeft zij sinds 2001 bijstand van de gemeente [naam gemeente] ontvangen ingevolge artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf

1 januari 2010 heeft de Svb de bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) verleend.

1.2.

Bij brief van 9 december 2010 heeft de Svb aan appellante gevraagd of zij gebruik maakt dan wel gebruik kan maken van de pensioenregeling van de Nederlandse Antillen en Aruba (AOV-pensioen). Appellante heeft in haar reactie van 17 januari 2011 vermeld dat zij geen AOV-pensioen ontvangt en dat het alsnog aanvragen van dit pensioen niet van toepassing is. Bij brief van 27 januari 2011 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij verplicht is een AOV-pensioen aan te vragen en dat de AIO-aanvulling wordt stopgezet als zij dit niet doet.

1.3.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft de Svb het recht op de AIO-aanvulling met ingang van die datum opgeschort op de grond dat appellante niet heeft gereageerd op de verzoeken om informatie toe te sturen over het aanvragen van het AOV-pensioen.

1.4.

Bij besluit van 5 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 8 november 2011 heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van

1 juni 2011 ingetrokken. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de Svb aan appellante een AIO-aanvulling toegekend met ingang van 27 juli 2011, mede naar aanleiding van een toekenning van een AOV-pensioen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Na behandeling ter zitting van de Raad op 22 oktober 2013 heeft de Svb aanleiding gezien het bestreden besluit in te trekken en te vervangen door het besluit van 17 januari 2014 (nader besluit). Bij dit besluit heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2011 alsnog gegrond verklaard, de opschorting volledig ongedaan gemaakt en bepaald dat appellante alsnog recht heeft op betaling van de AIO-aanvulling over de periode van 1 juni 2011 tot en met 26 juli 2011.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Anders dan appellante in haar brief van 11 februari 2014 heeft gesteld, is de Svb met het nadere besluit geheel aan de bezwaren van appellante tegen het besluit van 1 juni 2011 tegemoetgekomen. Het nadere besluit wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan ook niet in de beoordeling betrokken.

5.2.1.

Aangezien appellante heeft verzocht de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade die zij door het bestreden besluit heeft geleden, bestaat belang bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak over het bestreden besluit.

5.2.2.

Uit 4 volgt dat de Svb het besluit van 1 juni 2011 en het bestreden besluit niet handhaaft. Hiermee is de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven.

5.3.1.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding stelt de Raad voorop dat uitsluitend aan de orde kan komen de gestelde schade die het gevolg is van het onrechtmatige opschortingsbesluit van 1 juni 2011.

5.3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraak van

11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de rechtspraak van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten.

5.4.1.

De materiële schade die appellante stelt te hebben geleden is het gevolg van de niet tijdig uitbetaalde AIO-aanvulling ten gevolge van het onrechtmatige besluit van 1 juni 2011 over de periode van 1 juni 2011 tot en met 26 juli 2011. Het is vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:102) dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.

5.4.2.

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft de Svb aan appellante wettelijke rente toegekend over onder meer de nabetaling van de AIO-aanvulling over de periode van 1 juni 2011 tot en met 26 juli 2011. Niet betwist wordt dat de wettelijke rente juist is berekend en is betaald. Hiermee heeft de Svb voldaan aan zijn verplichting de schade te vergoeden die appellante heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatige opschortingsbesluit van 1 juni 2011. Dit brengt mee dat geen grond bestaat voor toewijzing van een verdere vergoeding van materiële schade als gevolg van de niet tijdige betaling van de AIO-aanvulling, waar appellante daarnaast om heeft verzocht. Desalniettemin heeft de Svb bij wijze van uitzondering een bedrag van € 1.231,86 aan appellante betaald als vergoeding voor onder meer de bestuursrechtelijke premie en voor incasso- en deurwaarderskosten. Met deze vergoeding is appellante, gelet op 5.4.1, niet tekort gedaan.

5.5.1.

Appellante heeft voorts vergoeding gevraagd van de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

5.5.2.

Voor zover appellante heeft betoogd dat bij haar sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het onrechtmatig opschortingsbesluit, overweegt de Raad als volgt. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig gebleken besluit (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067). Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig onder de besluitvorming van de Svb heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen de beperkte periode die in het onderhavige geschil door de onrechtmatige besluitvorming wordt bestreken en de omstandigheid dat appellante in die periode niet geheel van middelen was verstoken. Dit verzoek om vergoeding van immateriële schade moet dan ook worden afgewezen.

5.5.3.

Voor zover appellante heeft betoogd dat zij door de onrechtmatige besluitvorming van de Svb op andere wijze in haar persoon is aangetast overweegt de Raad als volgt. Het niet verstrekken van een uitkering kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (EHRM 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje,

nr. 55996/00) en daarmee mogelijk ook als een aantasting in de persoon in de zin van

artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Daarvan zal, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3191), echter alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval rechtvaardigen niet dat het opschorten van de AIO-aanvulling wordt aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op grond waarvan de verzochte schadevergoeding dient te worden toegewezen. De Raad acht daarbij van belang dat sprake is geweest van een kortdurende onderbreking van de AIO-aanvulling terwijl appellante bleef beschikken over het ouderdomspensioen ingevolge de AOW.

5.5.4.

Voor zover appellante heeft verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde. Vanaf de indiening van het eerste bezwaarschrift tot aan deze uitspraak van de Raad zijn nog geen vier jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De Raad zal ook dit verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afwijzen.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.2.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren. Gelet op het nader besluit kan vernietiging van het bestreden besluit achterwege blijven. Uit 5.3.1 tot en met 5.5.4 volgt dat de verzoeken om schadevergoeding moeten worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2011 gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.T.P. Pot

HD