Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12-4428 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging van het in bezwaar aangepaste ambtsbericht in het personeelsdossier. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij als gevolg van het ambtsbericht (immateriële) schade, bestaande uit gederfde arbeidsvreugde, heeft geleden doordat hij tijdens de reorganisatie niet is herplaatst op zijn eigen functie, volgt de Raad appellant hierin niet. Eventuele schade in zoverre moet worden geacht geheel te zijn weggenomen met de overeenkomst. Onder deze omstandigheden moet tevens worden geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant is benadeeld door de omstandigheid dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan het vaststellen van het ambtsbericht schriftelijke bedenkingen in te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4428 AW

Datum uitspraak: 6 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

13 juni 2012, 11/9033 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.H. ten Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013. Namens appellant is verschenen mr. Ten Wolde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R.M. van Haren.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was [naam functie 1] van de Brigade Operationele Ondersteuning District (BOOD) in het District Schiphol van de Koninklijke Marechaussee (KMar).

1.2. Naar aanleiding van een op 22 maart 2011 ontvangen onderzoeksrapport van de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) over vermeend oneigenlijk gebruik van dienstvoertuigen door appellant heeft de Directeur Operaties van de KMar, na appellant op 4 april 2011 gehoord te hebben, op 20 april 2011 een brief opgesteld en deze aangemerkt als een in appellants personeelsdossier op te leggen ambtsbericht. Hierin zijn vier voor appellant te nemen rechtspositionele maatregelen opgenomen. Appellant heeft hiertegen bij brief van 4 mei 2011 bezwaar gemaakt.

1.3. Appellant heeft op 25 november 2011 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 4 mei 2011. Bij besluit van 9 december 2011 (bestreden besluit) heeft de minister de tekst van het ambtsbericht aangepast en de vier maatregelen uit het ambtsbericht verwijderd. Omdat appellant gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, heeft de minister de kosten die appellant in verband met het maken van bezwaar heeft moeten maken slechts gedeeltelijk vergoed.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van dat beroep nu de minister op 9 december 2011 op het bezwaar heeft beslist. Wat betreft het mede tegen het bestreden besluit gericht geachte beroep is de rechtbank, na een groot aantal formele beroepsgronden van appellant te hebben verworpen, tot de conclusie gekomen dat het ambtsbericht, voor zover bij het bestreden besluit gehandhaafd, berust op een afdoende feitelijke grondslag. De minister heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot oplegging van het in bezwaar aangepaste ambtsbericht in het personeelsdossier van appellant. Het bestreden besluit kon in zoverre in rechte standhouden. De rechtbank heeft het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, echter vernietigd voor zover de minister daarbij heeft nagelaten de volledige bezwaarkosten aan appellant te vergoeden. De rechtbank heeft in zoverre zelf voorzien in de zaak.

3.

Het hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit materieel gezien stand kon houden. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebrek dat appellant niet voorafgaande aan het vaststellen van het ambtsbericht in de gelegenheid is gesteld om schriftelijke bedenkingen in te brengen is geheeld, nu appellant voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit alsmede in de bezwarenfase is gehoord. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij door de onrechtmatige maatregelen in de eerste versie van het ambtsbericht tijdens de reorganisatie van het District Schiphol niet is herplaatst op zijn eigen functie als [naam functie 1] van de BOOD. Zijn pleidooi tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft niet kunnen verhinderen dat de functie van appellant op dat moment al was vergeven aan een ander.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant in het kader van een reorganisatie door de minister aanvankelijk ten onrechte boventallig is verklaard. Een en ander is volgens appellant nadien rechtgezet doordat hij alsnog op een majoorsfunctie is geplaatst. Gebleken is verder dat appellant en de minister op 23 oktober 2012 een vaststellingsovereenkomst (overeenkomst) hebben opgesteld en ondertekend. De overeenkomst vermeldt dat partijen geschillen hadden over enerzijds twee, op respectievelijk 31 maart 2011 en 22 juni 2011 gedateerde, besluiten waarbij appellant was aangewezen als herplaatsingskandidaat en anderzijds een besluit van 13 mei 2011 waarbij een verzoek van appellant om zijn functie als [naam functie 1] van de BOOD te herwaarderen was afgewezen. De overeenkomt strekt tot beëindiging van deze geschillen.

4.2.

In de overeenkomst is onder meer het volgende neergelegd:

- dat appellant met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 wordt bevorderd tot [naam functie 2];

- dat aan appellant met ingang van 1 juli 2012 tot 1 juli 2015 de functie van [naam functie 3] wordt toegewezen;

- dat de minister, indien laatstgenoemde functie als gevolg van de reorganisatie op of omstreeks 1 januari 2013 komt te vervallen, een inspanningsverplichting op zich zal nemen om appellant alsdan een passende functie, waaraan de rang van [naam functie 2] is verbonden, toe te wijzen;

- dat appellant in de tussentijd zal worden geplaatst op een “verzamelarbeidsplaats zwevend”, zonder dat het Sociaal Beleidskader Defensie 2012 op hem van toepassing zal worden verklaard;

- dat appellant ook anderszins geen rechtspositionele nadelen zal ondervinden als gevolg van de plaatsing op een “verzamelarbeidsplaats zwevend”;

- dat de overeenkomst zal gelden als een finale beslechting van de tussen partijen gerezen geschillen en dat partijen zich ertoe verbinden dienaangaande over en weer niets meer van elkaar te vorderen.

4.3.

Voor zover appellant heeft gesteld dat hij als gevolg van het ambtsbericht (immateriële) schade, bestaande uit gederfde arbeidsvreugde, heeft geleden doordat hij tijdens de reorganisatie niet is herplaatst op zijn eigen functie als [naam functie 1] van de BOOD, volgt de Raad appellant hierin niet. Eventuele schade in zoverre moet worden geacht geheel te zijn weggenomen met de overeenkomst. Onder deze omstandigheden moet tevens worden geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant is benadeeld door de omstandigheid dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan het vaststellen van het ambtsbericht schriftelijke bedenkingen in te brengen. Het onder 3 weergegeven betoog kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD