Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
13-5288 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Militair ontslag wegens wangedrag buiten de dienst. Bij de huiszoeking in de woning van appellant is kinderporno op zijn computer en feestvuurwerk niet bestemd voor particulier gebruik aangetroffen. Nu niet is gebleken dat de gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend, was de minister bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig te achten aan het aan dat ontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5288 MAW, 13/6062 MAW

Datum uitspraak: 23 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2013, 13/2262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft mr. drs. A.J. Verdonk voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2014. Appellant is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Diekstra. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 12 januari 2009 aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht in de rang van sergeant.

1.2.

Bij brief van 7 maart 2012 is het Commando Landstrijdkrachten door het College van Procureurs-Generaal geïnformeerd over de aanhouding en vervolging van appellant vanwege elf bij een huiszoeking aangetroffen afbeeldingen/multimediafiles met kinderporno en dertien stuks feestvuurwerk niet bestemd voor particulier gebruik. Voorts zijn antecedenten van appellant verstrekt waaronder een tijdens het dienstverband gegeven strafbeschikking voor het rijden onder invloed op 25 mei 2010, waartegen appellant niet in verzet is gekomen, en een door appellant geaccepteerd transactievoorstel in verband met het plegen van mishandeling op

1 april 2010.

1.3.

Bij besluit van 25 april 2012 is appellant geschorst en is hem meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag.

1.4.

Bij vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Arnhem van 10 september 2012 is appellant vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde bezit van, kort weergegeven, kinderporno.

1.5.

Bij besluit van 9 oktober 2012 (ontslagbesluit) heeft de minister appellant met ingang van 15 oktober 2012 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) wegens wangedrag buiten de dienst. Daaraan is ten grondslag gelegd het bezit van bij de huiszoeking aangetroffen kinderporno en feestvuurwerk. De minister heeft bij zijn afweging voorts betrokken de bij brief van

27 juli 2010 aan appellant gegeven formele waarschuwing wegens betrokkenheid bij een vechtpartij in de nacht van woensdag 31 maart 2010 op donderdag 1 april 2010 in het centrum van Arnhem waarbij appellant voorts nadrukkelijk is gewaarschuwd voor zijn alcoholgebruik. Voorts heeft de minister betrokken de bij brief van 11 april 2011 gegeven formele waarschuwing in verband met zijn lidmaatschap van de "harde kern" van de voetbalsupporters van FC Twente en de onder rechtsoverweging 1.2 genoemde antecedenten.

1.6.

Bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niets afwist van de op zijn computer aangetroffen kinderporno en het in zijn woning aangetroffen feestvuurwerk. Hij is niet de eerste gebruiker van de computer. Er kwam voorts geregeld bezoek dat gebruik maakte van de computer, welke niet was voorzien van een wachtwoord. Hij had voorts een huisgenoot. Appellant kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor wat anderen in zijn woning doen. De militaire kamer van de rechtbank Arnhem heeft appellant vrijgesproken omdat tien afbeeldingen niet toegankelijk waren. Appellant klaagt voorts dat hij niet over juridische bijstand beschikte bij aanvang van de procedure. Uit oogpunt van zorgvuldige bejegening had appellant gewezen moeten worden op zijn zwijgrecht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van wangedrag dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.3.

Vast staat dat bij de huiszoeking in de woning van appellant kinderporno op zijn computer en feestvuurwerk niet bestemd voor particulier gebruik is aangetroffen. Op basis daarvan heeft de minister tot de conclusie kunnen komen dat sprake was van bezit daarvan door appellant. Het lag op de weg van appellant om zijn stelling nader te onderbouwen dat de aanwezigheid ervan is te verklaren uit het handelen van anderen buiten zijn medeweten. De gemachtigde van de minister heeft appellant daartoe nog uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld door het schriftelijk stellen van een aantal vragen op 17 december 2012. Appellant heeft deze vragen in zijn op 19 december 2012 schriftelijk gegeven reactie niet concreet beantwoord, maar opnieuw volstaan met een (algemene) verwijzing naar een beweerdelijke huisgenoot en meerdere mensen die gebruik hebben gemaakt van zijn computer. Voorts heeft appellant geantwoord zijn huisgenoot niet te hebben "geconfronteerd met de vondst van de KP omdat hij hem niet onnodig wilde verdenken". Daarmee is de stelling van appellant dat hij geen wetenschap had van de in zijn woning aangetroffen kinderporno en feestvuurwerk en anderen daarvoor verantwoordelijk zijn, onvoldoende feitelijk onderbouwd en daarmee niet aannemelijk geworden. Het enkele gegeven dat appellant door de strafrechter wegens gebrek aan bewijs is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, geeft de Raad, gelet op 4.2, geen aanleiding tot een ander oordeel.

4.4.

De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich met het in bezit hebben van elf afbeeldingen/multimediafiles en dertien stuks feestvuurwerk niet bestemd voor particulier gebruik aan wangedrag buiten de dienst heeft schuldig gemaakt. Dat tien afbeeldingen niet langer toegankelijk zijn, doet daaraan niet af. Nu niet is gebleken dat de gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend, was de minister bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig te achten aan het aan dat ontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim.

4.5.

Voor zover appellant stelt dat hij is geschaad in zijn processuele belang omdat hij bij de eerste hoorzittingen niet is bijgestaan door een juridisch geschoolde raadsman en voorbij is gegaan aan zijn recht om te zwijgen, treft deze stelling geen doel. Appellant is bij de uitnodigingen tot horen van onder meer 27 maart 2012 en 4 april 2012 gewezen op de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een raadsman of advocaat. Appellant heeft er zelf voor gekozen zich te laten bijstaan door een medewerker van de vakbond en zijn broer. Verder mist zijn stelling feitelijke grondslag, nu appellant bij aanvang van de hoorzittingen is gezegd dat hij het recht heeft om te zwijgen.

4.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Daarmee vervalt het door de minister voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD