Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
12-6389 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Verordening houdt niet in dat aan de daarvoor in aanmerking komende aanvrager het recht op een beperkt gebruik van een bruikleen (rolstoel)auto wordt toegekend en dat voor kilometers die daar boven uitgaan een bijdrage van € 0,45 per kilometer in rekening kan worden gebracht. Dit betekent dat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Vernietiging besluit. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en onder herroeping van de primaire besluiten bepalen dat aan betrokkene met ingang van 2 mei 2011 het recht op verstrekking van een vervoersvoorziening in natura in de vorm van een rolstoelbus in bruikleen wordt toegekend zonder beperking van het gebruik ervan. De Raad zal tevens bepalen dat de aan betrokkene toegekende financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de rolstoelbus met ingang van 2 mei 2011 € 685,- per jaar bedraagt.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Wet maatschappelijke ondersteuning 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/387
RSV 2014/277
JWWB 2014/269

Uitspraak

12/6389 WMO

Datum uitspraak: 24 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

23 oktober 2012, 12/181 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.H. Theunissen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. Voor het college is

I.D. van der Wolf verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Theunissen en [naam echtgenote], zijn echtgenote.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene lijdt aan een progressieve spierziekte. Hij is volledig rolstoelafhankelijk en moet permanent beademd worden. Voor zijn vervoer is hij geheel afhankelijk van een door zijn echtgenote bestuurde rolstoelbus. Het college heeft hem in het jaar 2000 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een vervoersvoorziening in de vorm van de bruikleen van een rolstoelbus toegekend. Betrokkene reed daarmee circa 12.500 kilometer per jaar. Omdat de bus versleten was heeft appellant ter vervanging ervan in het jaar 2011 een nieuwe rolstoelbus aangevraagd.

1.2.

Het college heeft aan appellant bij besluiten van 2 mei, 27 juni en 28 juli 2011 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) het recht toegekend op een vervoersvoorziening in de vorm van een rolstoelbus. Betrokkene is daarbij de keus gelaten tussen verstrekking in natura in de vorm van bruikleen en verstrekking in natura in de vorm van eigendom. Aan de verstrekking in bruikleen is het voorschrift verbonden dat met de bus 2.500 kilometer met een bandbreedte tot 3.500 kilometer per jaar mag worden gereden en dat voor kilometers die daar boven uitgaan per kilometer € 0,45 in rekening zal worden gebracht. Het beroep van appellant om de bus onder toepassing van de hardheidsclausule 10.000 kilometer per jaar te mogen gebruiken is afgewezen. Het college stelt slechts een compensatieplicht te hebben voor lokaal vervoer. Bovenlokaal vervoer kan slechts voor compensatie in aanmerking komen in geval van (dreigend) sociaal isolement en dat doet zich in dit geval niet voor. Voor de kosten van het gebruik van de rolstoelbus is aan betrokkene een financiële tegemoetkoming toegekend van € 685,- per jaar. Aan de echtgenote van betrokkene, die ook vervoersbeperkingen heeft, is een financiële tegemoetkoming toegekend van de helft van € 685,- per jaar.

1.3.

Het college heeft het bezwaar van betrokkene tegen deze besluiten bij beslissing op bezwaar van 20 december 2011 gegrond verklaard. Het aantal heffingvrij te rijden kilometers is verhoogd tot 3.980 per jaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

20 december 2011 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het college dient een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Tevens zijn bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat voldoende rekening is gehouden met de persoonskenmerken van betrokkene verworpen. Het feit dat de duurste voorziening is toegekend is daarvoor niet redengevend. Van betekenis is dat betrokkene een kunstenaar is en met enige regelmaat musea en exposities moet kunnen bezoeken. De vraag of bovenlokaal vervoer onder de compensatieplicht valt is ten onrechte beoordeeld aan de hand van het criterium of sociaal isolement dreigt, omdat ook daarvoor geldt dat acht moet worden geslagen op de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Pas na een gedegen onderzoek daarnaar kan beoordeeld worden welke voorziening in de individuele situatie maatwerk is. De rechtbank heeft verder beslist dat het noodzakelijke museumbezoek deel uitmaakt van de persoonlijke kenmerken van betrokkene en dat een eventuele bijdrage van

€ 0,45 per kilometer boven de grens van 3.980 kilometer een wettelijke basis ontbeert.

3.1.

Het college heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de omvang van de gemeentelijke compensatieplicht te ruim heeft genomen. Het college heeft voor vervoer slechts een compensatieplicht voor lokaal vervoer. Niet is gebleken van (dreigend) sociaal isolement dat aanleiding zou kunnen geven voor een ruimere compensatieplicht. Het college is voorts gerechtigd om voor kilometers die de gemeentelijke compensatieplicht te boven gaan een bijdrage van € 0,45 per kilometer in rekening ter brengen voor de onverschuldigd geboden gebruiksmogelijkheden van de verstrekte voorziening. Dit is een bestendige gedragslijn. Het college heeft bevestigd dat de bijdrage van € 0,45 per kilometer niet op een wettelijke grondslag berust. Ter zitting van de Raad is verklaard dat de bijdrageverplichting op de ter uitvoering van het toekenningsbesluit gesloten bruikleenovereenkomst berust. Het bedrag van € 0,45 is afgeleid van de gebruikelijke huurprijs van een bruikleenbus. Het strekt mede tot dekking van de extra kosten van onderhoud en slijtage bij meergebruik. Betrokkene had ook kunnen kiezen voor verstrekking van de bus in eigendom waarvoor geen maximum aantal gebruikskilometers geldt.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep toegelicht dat hij voor een bruikleenbus gekozen heeft omdat de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie dan voor rekening van de gemeente blijven. Bij eigendom zouden die voor zijn rekening zijn gekomen. Hij kan deze echter gezien de hoogte van zijn inkomen niet dragen. Een heffing van € 0,45 per kilometer kan hij evenmin dragen. Voor de oude bus gold geen gebruiksbeperking. Hij reed er gemiddeld 12.500 kilometer per jaar mee. Het nieuwe beleid betekent dat hij niet meer kan voorzien in het bezoek van musea en exposities en dat hij het graf van zijn ouders niet meer kan bezoeken. Betrokkene kan voor bovenlokaal vervoer, gezien zijn medische beperkingen, geen gebruik maken van VALYS.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wet- en regelgeving

4.1.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: (…)

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

4.1.2.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.1.3.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.2.1.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Doetinchem uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem (Verordening).

4.2.2.

Artikel 1, onder 30, van de Verordening definieert voorziening in natura als een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt.

4.2.3.

Artikel 5.2, eerste lid, van de Verordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat als een voorziening in natura wordt verstrekt, de bruikleenovereenkomst met de gemeente Doetinchem van toepassing is. Het tweede lid bepaalt dat een beperkt aantal voorzieningen in eigendom wordt verstrekt.

4.2.4.

Artikel 8.1, onder b, aanhef en ten tweede, van de Verordening bepaalt dat de door het college te verstrekken vervoersvoorziening ter compensatie van beperkingen bij het lokaal verplaatsen kan bestaan uit een vervoersvoorziening in natura in de vorm van een al dan niet aangepaste bruikleen (rolstoel)auto.

4.2.5.

Artikel 8.5 van de Verordening luidt als volgt:

“1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van locale verplaatsingen met ten minste een omvang per jaar van 2.500 kilometer met een bandbreedte tot 3.500 kilometer mogelijk maken.”

4.2.6.

Artikel 10.1 van de Verordening luidt:

“Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.”

4.3.

De Raad stelt voorop dat artikel 5 van de Wmo aldus moet worden begrepen dat de essentialia van het voorzieningenpakket door de gemeenteraad in de verordening dienen te worden vastgelegd (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133). De bevoegdheid om aan een vervoersvoorziening die in natura wordt verstrekt het voorschrift te verbinden dat het gebruik ervan wordt beperkt tot een bepaald aantal kilometers en dat bij overschrijding daarvan een bijdrage van € 0,45 per kilometer in rekening zal worden gebracht behoort daar toe.

4.4.

Het college heeft aan de toegekende vervoersvoorziening in natura het voorschrift verbonden dat het vrije gebruik ervan wordt beperkt tot 3.980 kilometer per jaar en dat bij overschrijding daarvan een bijdrage van € 0,45 per kilometer in rekening zal worden gebracht. Artikel 8.1 in verbinding met artikel 1, onder, 30 van de Verordening houdt in dat de verstrekking van een vervoersvoorziening in natura kan bestaan uit een bruikleen (rolstoel)auto. De Verordening houdt niet in dat aan de daarvoor in aanmerking komende aanvrager het recht op een beperkt gebruik van een bruikleen (rolstoel)auto wordt toegekend en dat voor kilometers die daar boven uitgaan een bijdrage van € 0,45 per kilometer in rekening kan worden gebracht. Dit betekent dat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt, zodat het bestreden besluit, voor zover daaraan het bestreden voorschrift is verbonden, geen stand kan houden.

4.5.

De Raad voegt hieraan, in dit geval ten overvloede, toe dat niet op voorhand ondenkbaar is dat in de in artikel 5 van de Wmo bedoelde verordening wordt geregeld dat aan de daarvoor in aanmerking komende aanvrager het beperkte gebruik van een ter beschikking gestelde (rolstoel)auto wordt toegekend en dat de gemeente en de aanvrager terzake van het meergebruik van dat voertuig een huurovereenkomst sluiten. Die situatie doet zich hier echter, zoals uit 4.4 volgt, niet voor.

4.6.

Hetgeen is overwogen onder 4.4 en 4.5 leidt ertoe dat de beroepsgrond dat de rechtbank de omvang van de compensatieplicht heeft miskend, geen bespreking meer behoeft.

5. Het in 4.4 weergegeven oordeel betekent verder dat zelf in de zaak kan worden voorzien en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarin aan het college is opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en onder herroeping van de primaire besluiten bepalen dat aan betrokkene met ingang van 2 mei 2011 het recht op verstrekking van een vervoersvoorziening in natura in de vorm van een rolstoelbus in bruikleen wordt toegekend zonder beperking van het gebruik ervan. De Raad zal tevens bepalen dat de aan betrokkene toegekende financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de rolstoelbus met ingang van 2 mei 2011 € 685,- per jaar bedraagt.

6. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 974,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is bepaald dat het college een nieuwe

beslissing op het bezwaar moet nemen;

- herroept de primaire besluiten van 2 mei, 27 juni en 28 juli 2011 en stelt daarvoor hetgeen is

beslist in r.o. 5 in de plaats;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M. Crum

TM