Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
13-1217 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:150, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1217 ZW

Datum uitspraak: 13 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 januari 2013, 12/2681 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 december 2013 heeft appellant nadere medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft in reactie op de nadere medische stukken een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2014 overgelegd.

Bij brief van 20 augustus 2014 heeft appellant opnieuw nadere medische stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Welten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voorheen werkzaam als heftruckchauffeur gedurende 40 uur per week. Appellant heeft zich op 22 augustus 2011 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens rug-, onderbuik- en heupklachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 21 maart 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de ZW per 22 maart 2012 beƫindigd op de grond dat appellant weer geschikt is voor zijn maatgevende werk.

1.3.

Bij besluit van 10 mei 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

21 maart 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen dat appellant met ingang van 22 maart 2012 weer geschikt is voor zijn arbeid in de zin van de ZW. De rechtbank heeft de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd en geoordeeld dat uit de door appellant in beroep ingebrachte informatie van zijn wervelzuilchirurg/voetchirurg van 3 augustus 2012 niet kan worden afgeleid dat appellant op 22 maart 2012 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat hij op en na 22 maart 2012 niet in staat is het werk van heftruckchauffeur te verrichten, vooral gelet op de trillingen die zich bij dat werk voordoen. Appellant heeft aangevoerd dat de in beroep ingebrachte medische informatie de rechtbank aanleiding had moeten geven een nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige te doen instellen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep onder meer nadere (medische) informatie van het Universitair Ziekenhuis Gent, Fysische Geneeskunde en Revalidatie in het geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het onderzoek dat door de verzekeringsarts van het Uwv is verricht is zorgvuldig geweest. Appellant is medisch onderzocht en de bevindingen van de behandelende artsen en met name van de behandelend neuroloog zijn bij die beoordeling betrokken. Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen wordt onderschreven. Met recht heeft het Uwv er op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het door appellant genoemde punt van de trillingen bij het besturen van een heftruck rekening heeft gehouden.

4.3.

In de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie worden onvoldoende aanknopingspunten gezien om aan de juistheid van het standpunt van de betrokken verzekeringsartsen te twijfelen. Voor wat betreft de bij brief van 30 december 2013 door appellant overgelegde medische stukken wordt het in hoger beroep gegeven commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in het rapport van

9 januari 2014, onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de ingebrachte medische stukken vastgesteld dat er een verschil is in perfusie linker-rechter bovenbeen, beperkt tot de weke delen. Uit de medische stukken blijken geen onderzoeksbevindingen op grond waarvan de klachten van appellant kunnen worden verklaard, bovendien ziet een deel van de medische informatie niet op de datum in geding.

4.4.

Eenzelfde oordeel geldt ten aanzien van de bij brief van 20 augustus 2014 door appellant overgelegde medische stukken. Deze stukken dateren van (ver) na de in geding zijnde datum en bevatten geen informatie die een wezenlijk ander licht werpt op de medische situatie van appellant op die datum. Ook ten aanzien van de schouderklachten is niet gebleken dat zij al op de datum in geding een relevante belemmering vormden voor het verrichten van de maatgevende arbeid. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant met ingang van die datum geschikt was te achten voor zijn arbeid in de zin van de ZW. Voor een nader deskundig onderzoek bestaat daarom geen aanleiding.

4.5.

De overwegingen 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2014.

(getekend) J. Riphagen

(getekend) J.T.P. Pot

JS