Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
14-2782 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stelling aanvraag. Met de verstuurde e-mailberichten heeft appellant geen aanvragen om bijstand heeft ingediend. Het college heeft de brieven van 24 april 2013 en 21 mei 2013 ten onrechte alleen aan appellant heeft verzonden, en niet (ook) aan zijn gemachtigde. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het voor het college niet kenbaar was dat mr. Van Asperen in het kader van deze aanvraag als gemachtigde van appellant optrad. Het college heeft de aanvraag van appellant ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Inhoudelijk. Geen aanwijzingen dat de relevante omstandigheden in de periode vanaf de melding anders waren dan in de voorgaande periode. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat aan appellant bijstand wordt toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/384
NJB 2014/1973
AB 2015/17 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2782 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2014, 13/969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 12/6086 WWB, 12/6087 WWB en 13/2244 WWB plaatsgehad op 4 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Assmann. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Nadat de werkgever van appellant de loonbetaling met ingang van 12 juni 2012, vanaf welke datum appellant wegens ziekte geen werkzaamheden meer heeft verricht, had opgeschort, heeft appellant zich op 2 juli 2012 bij de gemeente gemeld. De medewerker van de gemeente die hem te woord stond, heeft appellant doorverwezen naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aan te vragen.

1.2.

Bij e-mailbericht van 3 juli 2012, gericht aan een andere medewerker van de gemeente, heeft mr. Van Asperen, als gemachtigde van appellant, verzocht te bevorderen dat appellant, die op 2 juli 2012 daartoe bij de gemeente langs is geweest, in de gelegenheid wordt gesteld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Daarbij heeft mr. Van Asperen opgemerkt dat de bijstand wordt aangevraagd met ingang van 12 juni 2012. Bij e-mailbericht van 4 juli 2012 heeft [naam K] ([k]), medewerkster van de gemeente, aan mr. Van Asperen bevestigd dat appellant op 2 juli 2012 is langs geweest. Hij heeft toen meegedeeld dat hij ziek was en geen salaris meer ontving sinds 12 juni 2012. Daarop is hij verwezen naar het Uwv om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aan te vragen. Verder heeft zij kenbaar gemaakt dat appellant geen aanvraag om bijstand heeft ingediend en dat het e-mailbericht van

mr. Van Asperen niet wordt aangemerkt als een aanvraag om bijstand. Ten slotte heeft zij

mr. Van Asperen erop gewezen dat en op welke wijze appellant zich kan melden voor het indienen van een aanvraag om bijstand wanneer hem geen uitkering ingevolge de Ziektewet wordt toegekend en zijn werkgever zijn salaris niet doorbetaalt.

1.3.

Bij e-mailbericht van 11 juli 2012 heeft mr. Van Asperen bij het college een klacht ingediend omdat het college geweigerd zou hebben een aanvraag om bijstand in behandeling te nemen. Het college heeft mr. Van Asperen bij brief van 29 oktober 2012 bericht dat zijn klacht buiten behandeling wordt gelaten omdat appellant over de periode tot en met

31 augustus 2012 over een inkomen heeft beschikt door de loondoorbetaling van de werkgever, dan wel door de toekenning van de ZW-uitkering.

1.4.

Bij e-mailbericht van 2 november 2012, gericht aan [k], heeft mr. Van Asperen namens appellant verzocht om toekenning van algemene en bijzondere bijstand vanaf 12 juni 2012 dan wel 1 september 2012 (datum einde dienstverband). [k] heeft hierop bij e-mailbericht van 2 november 2012 aan mr. Van Asperen medegedeeld dat appellant naar Humanitas kan gaan voor een digitale melding voor een WWB-uitkering en dat het college 2 november 2012 als meldingsdatum zal hanteren.

1.5.

Bij e-mailbericht van 18 april 2013, gericht aan [k], heeft mr. Van Asperen bericht dat appellant tevergeefs heeft gepoogd bij de gemeente een afspraak te maken om zijn aanvraag verder af te handelen en als reactie kreeg dat hij een nieuwe aanvraag moest indienen, wat hij onder protest via Humanitas zou proberen. Onder verwijzing naar de eerdere correspondentie en een uitspraak van de Raad van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6642, heeft mr. Van Asperen voorts verzocht de eerder ingediende aanvraag verder af te handelen en hem als gemachtigde aan te merken. [k] heeft daarop bij e-mailbericht van 18 april 2013, onder verwijzing naar haar e-mailbericht van 2 november 2012, medegedeeld dat van appellant geen aanvraag om bijstand is ontvangen.

1.6.

Op 23 april 2013 heeft appellant zich digitaal gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand. Het college heeft appellant bij brief van 24 april 2013 verzocht het aanvraagformulier volledig in te vullen, te ondertekenen en nader genoemde bewijsstukken in te leveren. Op 1 mei 2013 heeft het college het - niet ondertekende - aanvraagformulier en een aantal van de gevraagde stukken ontvangen.

1.7.

Bij brief van 21 mei 2013 heeft het college appellant wederom verzocht uiterlijk één week na verzenddatum van de brief de daarin vermelde gegevens in te leveren alsmede de aanvraag te ondertekenen. Daarbij is appellant erop gewezen dat, als hij de informatie niet of niet op tijd levert, het college de aanvraag van appellant niet in behandeling neemt. Op 24 mei 2013 heeft appellant het door hem ondertekend aanvraagformulier ingediend.

1.8.

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle bij brief van 21 mei 2013 gevraagde stukken heeft overgelegd.

1.9.

Het college heeft vervolgens naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van

11 juni 2013 aan appellant bijstand toegekend.

1.10.

Bij besluit van 26 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Voor zover appellant ook bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op eerdere aanvragen, heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de e-mailberichten van

11 juli 2012 en 2 november 2012 niet zijn aan te merken als aanvragen om bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het betoog van appellant komt er - zo begrijpt de Raad - op neer dat appellant zich reeds eerder dan 23 april 2013 heeft gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Appellant is op 2 juli 2012 bij het college langs geweest maar ten onrechte niet in staat gesteld een aanvraag om bijstand in te dienen. Verder heeft appellant zich middels de e-mailberichten van mr. Van Asperen gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand, zodat appellant met ingang van respectievelijk 11 juli 2012 en 2 november 2012 bijstand heeft aangevraagd. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de herstelverzuimbrieven die het college bij brieven van 24 april 2013 en 21 mei 2013 aan appellant heeft verzonden, ten onrechte niet aan mr. Van Asperen zijn verzonden. Daarmee kan de buitenbehandelingstelling van de aanvraag om bijstand niet in stand blijven en dient aan appellant met ingang van eerder genoemde data bijstand te worden toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt bijstand toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt wanneer van een melding van het Uwv of bij het college kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig als mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten is.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken (uitspraak van 12 juni 2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362), kan van zodanige omstandigheden sprake zijn als vast komt te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dan wel in het geval dat is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van de CWI (thans Uwv) of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3.

De beroepsgrond dat appellant zich op 2 juli 2012 bij het college heeft gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen en daarvan is afgehouden, slaagt niet. Appellant heeft zich weliswaar op 2 juli 2012 gemeld bij de gemeente, maar uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat hij zich heeft gemeld om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Uit die gegevens valt slechts af te leiden dat appellant op 2 juli 2012 heeft meegedeeld dat hij ziek is en geen salaris meer ontvangt. Appellant is vervolgens door een medewerker van de gemeente naar het Uwv verwezen om een uitkering ingevolge de ZW aan te vragen. Vaststaat dat appellant zich daarna ook bij het Uwv heeft gemeld, welke instantie hem een ZW-uitkering heeft toegekend. In reactie op het onder 1.2 genoemde e-mailbericht van 3 juli 2012 van

mr. Van Asperen heeft [k] ook medegedeeld dat appellant geen aanvraag om bijstand heeft ingediend. Voorts heeft [k] medegedeeld dat het e-mail-bericht van 3 juli 2012 niet wordt aangemerkt als een aanvraag om bijstand en dat appellant zich kan melden voor bijstand als hij geen ZW-uitkering krijgt en zijn werkgever het salaris niet doorbetaalt. Hierin ligt besloten dat appellant niet is afgehouden van een het indienen van een aanvraag om bijstand.

4.4.

De beroepsgrond dat het e-mailbericht van 11 juli 2012 van mr. Van Asperen moet worden gezien als een melding van appellant om bijstand aan te vragen, omdat het volstrekt duidelijk is wat beoogd werd, kan evenmin slagen. Uit artikel 44, tweede lid, van de WWB volgt dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uwv. Het

e-mailbericht van 11 juli 2012, dat zoals uit 1.3 blijkt een klacht over de gang van zaken op

2 juli 2012 betreft, kan niet worden gelijkgesteld met een melding om bijstand aan te vragen. Een melding zoals bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB is dan ook niet tot stand gekomen.

4.5.

Niet in geschil is dat het college naar aanleiding van de e-mailwisseling met

mr. Van Asperen 2 november 2012 als meldingsdatum heeft aangemerkt. Het betoog van appellant dat met dit e-mailbericht tevens een aanvraag om bijstand is ingediend, wordt niet gevolgd. Uit artikel 44 van de WWB volgt immers dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn. De Raad heeft verder reeds eerder overwogen (uitspraak van 5 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8071) dat uit artikel 43, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4:1 van de Awb volgt dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. Wel kan ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het college heeft deze weg echter niet geopend. [k] heeft mr. Van Asperen ook meermaals laten weten dat een aanvraag om bijstand niet via een e-mailbericht kan worden gedaan. Het beroep op de onder 1.5 genoemde uitspraak van de Raad van 9 april 2013 slaagt niet omdat het daar een aanvraag door middel van een faxbericht betrof. Een e-mailbericht voldoet, anders dan een faxbericht, niet aan het schriftelijkheidsvereiste.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant met de e-mailberichten van 11 juli 2012 en 2 november 2012 geen aanvragen om bijstand heeft ingediend.

4.7.

De vraag die vervolgens voorligt is of het college de voorliggende aanvraag op juiste gronden buiten behandeling heeft gesteld.

4.8.

De beroepsgrond dat het college de brieven van 24 april 2013 en 21 mei 2013 ten onrechte alleen aan appellant heeft verzonden, en niet (ook) aan mr. Van Asperen, slaagt. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het voor het college niet kenbaar was dat mr. Van Asperen in het kader van deze aanvraag als gemachtigde van appellant optrad. Gelet op de hiervoor in 1.2 tot en met 1.5 weergegeven e-mailcorrespondentie tussen mr. Van Asperen en [k] vanaf 2 juli 2013 had het voor het college duidelijk kunnen, althans moeten zijn dat mr. Van Asperen de belangen van appellant behartigde en als zijn gemachtigde optrad in het kader van zijn aanvraag om bijstand. Zoals onder 1.5 is weergegeven heeft

mr. Van Asperen bovendien in zijn e-mailbericht van 18 april 2013 aan [k] verzocht hem als gemachtigde van appellant aan te merken. Voorts is op het aanvraagformulier als meldingsdatum niet alleen 23 april 2013 maar ook 2 november 2012 vermeld, wat er op duidt dat, gelet op laatstgenoemde meldingsdatum waarbij mr. Van Asperen expliciet betrokken was, hij de gemachtigde van appellant is. De brieven van 24 april 2013 en 21 mei 2013 waarbij appellant in de gelegenheid is gesteld nadere gegevens in te leveren, hadden dan ook tevens aan mr. Van Asperen toegezonden moeten worden door het college.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het college de aanvraag van appellant ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld en het bezwaar gericht tegen dit besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het beroep ongegrond is verklaard en het besluit van 31 mei 2013 herroepen.

4.10.

Daarmee komt de vraag aan de orde welke gevolg hieraan moet worden gegeven. Vaststaat dat aan appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van 11 juni 2013 bijstand is toegekend. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het college ter zitting verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat de relevante omstandigheden in de periode vanaf de melding op 23 april 2013 tot 11 juni 2013 wezenlijk anders waren dan in de periode vanaf 11 juni 2013. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellant met ingang van 23 april 2013 bijstand naar de voor hem geldende norm zal worden toegekend. Anders dan appellant heeft betoogd, ziet de Raad geen aanleiding om aan appellant reeds met ingang van 2 november 2012 bijstand toe te kennen. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat hij zich na 2 november 2012 eerst op 23 april 2013 opnieuw heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand.

4.11.

Voorts bestaat er aanleiding om het verzoek om schadevergoeding van appellant te honoreren. Appellant heeft aanspraak op wettelijke rente over de alsnog te betalen bijstand over de periode van 23 april 2013 tot 11 juni 2013. Voor de wijze waarop de wettelijke rente wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 487,- in hoger beroep, in totaal derhalve € 2.435,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 augustus 2013 voor zover het beroep ongegrond is verklaard;

- herroept het besluit van 31 mei 2013, bepaalt dat aan appellant met ingang van 23 april 2013

bijstand naar de voor hem geldende norm wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre de plaats treedt van het besluit van 26 augustus 2013;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van schade zoals onder 4.11van deze

uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.W. Munneke

HD