Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
12-5075 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De arbeidskundige grondslag is pas in de fase van het hoger beroep voldoende gemotiveerd. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5075 WIA

Datum uitspraak: 15 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

2 augustus 2012, 12/468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y.J.K. Meulemans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Kweens, advocaat. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 30 september 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 1 december 2011 beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat het door het Uwv verrichte medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, mede gezien het feit dat meerdere malen informatie is ingewonnen bij de behandelende psychiaters van appellant. De rechtbank kan zich verenigen met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

13 september 2011 neergelegde beperkingen. De rechtbank acht verder appellant in staat de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen zijn bij de vaststelling van de FML van 13 september 2011 en niet in staat is om arbeid te verrichten. In dat kader heeft appellant een brief overgelegd van zijn behandelend psychiater K.B.H. ter Horst. Appellant verzoekt de Raad advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige.

4.1.

De Raad oordeelt als volgt.

4.2.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 13 juni 2014 een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.

4.3.

Mede naar aanleiding daarvan heeft de gemachtigde van appellant ter zitting medegedeeld dat het geschil beperkt is tot de vraag of het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest, de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld en of de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn. De Raad zal zich dan ook beperken tot deze geschilpunten.

4.4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Appellant is op 13 september 2011 onderzocht door een verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien en geobserveerd tijdens de hoorzitting op 20 januari 2012. Uit de rapporten van deze verzekeringsartsen van respectievelijk 13 september 2011 en 23 februari 2012 blijkt dat er uitgebreid kennis is genomen van het standpunt van de behandelende artsen, die ook actief en met een gerichte vraagstelling benaderd zijn door (de verzekeringsartsen van) het Uwv. De beschikbare gegevens bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen, zodat het onderzoek niet als onzorgvuldig bestempeld kan worden.

4.5.

De Raad is, gelet op de beschikbare medische informatie, van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit op een voldoende basis berust, aangezien de belastbaarheid van appellant met de FML van 13 september 2011 niet is overschat. Het Uwv heeft de informatie van de behandelende artsen in acht genomen en mede op grond daarvan die FML vastgesteld. Wat van de zijde van appellant daartegen is aangevoerd is onvoldoende om dat oordeel te kunnen aantasten. Ook de in hoger beroep overgelegde brief van psychiater Ter Horst kan aan dat oordeel niet afdoen, nu daarin alleen gesteld wordt dat appellant ten gevolge van de depressieve stoornis verminderd belastbaar is. Met die verminderde belastbaarheid is bij de vaststelling van de FML echter al rekening gehouden. Er is dan ook geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit moeten de geduide functies, in medisch opzicht, voor appellant geschikt worden geacht.

4.7.

Er is wel aanleiding om, nu de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit pas in de fase van het hoger beroep voldoende is gemotiveerd, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Bij deze uitkomst is voor een veroordeling van het Uwv tot het vergoeden van schade geen ruimte.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 27 februari 2012;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 157,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1948,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H.J. Dekker

QH