Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
13-665 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4649, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/665 WAO

Datum uitspraak: 17 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

20 december 2012, 12/2688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van der Marel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 september 2014 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Nederlof, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is vanwege psychische en lichamelijke klachten, met ingang van

10 mei 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van

14 juni 2007 herzien naar minder dan 15%.

1.2.

Op 13 januari 2009 heeft appellant zich ziek gemeld voor zijn werk als taxichauffeur, vanwege rug- en psychische klachten. Aansluitend heeft hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.3.

Op 31 mei 2010 heeft appellant een formulier Melden van verslechterde gezondheid ingediend en daarin vermeld dat hij sinds januari 2009 minder kon werken.

1.4.

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, zijn besluit gehandhaafd dat appellant per 11 januari 2011 geen recht heeft op een WAO-uitkering.

1.5.

Bij uitspraak van 29 februari 2012 heeft de rechtbank het besluit van 10 juni 2011 vernietigd, omdat in dat besluit ten onrechte is uitgegaan van een wachttijd van 104 weken voor appellant, terwijl dat ingevolge de zogenoemde Amber-wetgeving slechts vier weken moest zijn. Tevens heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen.

1.6.

Bij besluit van 25 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid ook per

10 februari 2009, zijnde vier weken na de eerste ziektedag, minder dan 15% bedraagt. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2012 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 maart 2012.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellant niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. Uit zijn rapport van 19 maart 2012 blijkt dat deze verzekeringsarts op de hoogte was van de door appellant gestelde psychische en fysieke klachten. Appellant heeft in beroep geen medische informatie overgelegd die de rechtbank aanleiding gaf te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot 10 februari 2009 voor appellant heeft aangenomen. Er is geen andere medische informatie met betrekking tot de datum in geding beschikbaar, dan die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadrukkelijk is afgewogen. De stelling van appellant dat het voor hem onmogelijk is om aanvullend bewijs te leveren vanwege het tijdsverloop, althans dat daaraan minder harde eisen moeten worden gesteld, is door de rechtbank niet gevolgd.

2.3.

Door appellant zijn in beroep geen arbeidskundige gronden aangevoerd. De rechtbank heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Nu appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is, heeft het Uwv hem terecht een WAO-uitkering geweigerd. Dat, zoals appellant stelt, er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het Uwv de hardheidsclausule moest toepassen, maakt dat niet anders. De wettelijke systematiek staat er immers aan in de weg om een WAO-uitkering toe te kennen als een verzekerde minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

3. In hoger beroep heeft appellant (samengevat) gesteld dat de verzekeringsarts reeds op

20 ( de Raad begrijpt 10) februari 2009, na een wachttijd van vier weken had moeten vaststellen dat appellant voldeed aan de criteria van de Wet Amber. Ten onrechte heeft het Uwv op 19 maart 2012 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant beoordeeld aan de hand van de in het dossier aanwezige stukken en niet aan de hand van een persoonlijk onderzoek. Overigens is appellant van mening dat uit het dossier blijkt dat op de datum in geding sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, dan wel tenminste meer dan 15%. Ten onrechte heeft volgens appellant geen belangenafweging plaatsgevonden. Zodoende heeft het Uwv in strijd gehandeld met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

4.3.

Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die zijn standpunt kunnen onderbouwen of aanleiding kunnen zijn voor een andersluidend oordeel.

4.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding, als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I. Mehagnoul

HD