Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3377

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
12-2285 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgelegde verklaring tegenover opsporingsambtenaar. Cautie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/86 met annotatie van C.B. Modderman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2285 WAO, 12/2301 WAO

Datum uitspraak: 17 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

8 maart 2012, 11/851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van het hoger beroep van betrokkene heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2014. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vermeirssen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene ontving sinds 1980 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter aanvulling van zijn WAO-uitkering ontving betrokkene een toeslag. Naar aanleiding van een melding bij de Directie Handhaving-Uitvoering van het Uwv, heeft het Uwv een onderzoek laten instellen in verband met vermeende werkzaamheden van betrokkene. In het onderzoeksrapport werknemersfraude van 6 juli 2010 is onder meer op basis van een verklaring van betrokkene op 23 juni 2010, door de inspecteur geadviseerd om de WAO-uitkering over 4 jaar te herberekenen rekening houdend met 3 dagen werken per week, omdat betrokkene bij het Uwv geen opgave heeft gedaan van de door hem bij particulieren uitgevoerde schilderswerkzaamheden. Daarbij is tevens geadviseerd uit te gaan van het minimumloon.

1.2. Bij besluit van 5 oktober 2010, dat op 29 maart 2011 aan betrokkene is toegezonden, heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO aan betrokkene meegedeeld dat zijn WAO-uitkering gedurende de periode van 1 juli 2007 tot 1 augustus 2010 in verband met inkomsten uit arbeid wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse

65 tot 80%. Bij dat besluit heeft het Uwv eveneens de te veel betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2010 ten bedrage van € 11.716,93 (bruto) van betrokkene teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2010, dat op 29 maart 2011 aan betrokkene is toegezonden, heeft het Uwv betrokkenes toeslag op de WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij dat besluit heeft het Uwv eveneens de ten onrechte verstrekte toeslag over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2010 ten bedrage van

€ 2.318,65 (bruto) van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2010, dat op 29 maart 2011 aan betrokkene is toegezonden, is

- nogmaals - aan betrokkene medegedeeld dat van hem een bedrag van € 14.035,58 wordt teruggevorderd wegens ten onrechte verstrekte WAO-uitkering en toeslag over de periode

1 juli 2010 (lees: 2007) tot en met 31 juli 2010.

1.5. De bezwaren die betrokkene tegen deze drie besluiten heeft gemaakt, zijn bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit) door het Uwv gegrond verklaard, in die zin dat over de periodes van 14 maart 2008 tot en met 11 april 2008, van 8 december 2008 tot en met

4 maart 2009 en van 25 november 2009 tot en met 25 maart 2010 de WAO-uitkering alsnog ongekort wordt betaald en betrokkene over die periodes in aanmerking komt voor een toeslag. Aan deze wijziging heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat betrokkene over de genoemde periodes wegens vakantie in het buitenland verbleef en derhalve geen verdiensten heeft gehad. Het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit is door het Uwv ongegrond verklaard. Volgens het Uwv zou, rekening houdend met een ongewijzigde WAO-uitkering en toeslag over betrokkenes vakantieperiodes, de terugvordering € 15.471,20 bedragen. Omdat er een bedrag van € 14.035,58 (bruto) is teruggevorderd, acht het Uwv dat bedrag niet te hoog.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de gewijzigde uitbetaling van de WAO-uitkering en de intrekking van de toeslag, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op het bedrag van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en de toeslag, dat besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het ingevolge het bestreden besluit uit hoofde van onverschuldigde betaling teruggevorderde bedrag alsnog wordt vastgesteld op € 10.229,96 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daarbij heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

3.1. Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de eigen verklaringen van betrokkene voldoende zijn om tot de conclusie te komen dat hij gedurende de periode 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2010 inkomsten uit arbeid heeft genoten die invloed hebben op het recht op WAO-uitkering en de toeslag. Daarbij acht betrokkene van belang dat er tijdens het verhoor geen cautie aan hem is gegeven en er geen letterlijke weergave is van het verhoor. Het proces-verbaal bevat slechts een samenvatting van het gesprek met betrokkene. Het verhoor is zijn inziens onrechtmatig en het verslag kan niet als bewijs dienen. Ook meent betrokkene dat bij de berekening van de terugvordering er ten onrechte vanuit is gegaan dat hij 24 uur per week heeft gewerkt en dat hij met die werkzaamheden het wettelijk minimumloon heeft verdiend.

3.2. Het hoger beroep van het Uwv is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat inzake de terugvordering sprake is van reformatio in peius. Het Uwv meent dat zij de grenzen van de besluitvorming zowel in tijd als in hoogte van de bedragen duidelijk heeft afgebakend. Betrokkene heeft naar de mening van het Uwv zijn bezwaren hiertegen ten volle aan de orde kunnen stellen. Ook meent het Uwv dat betrokkene door de correctie in bezwaar niet in een ongunstiger positie is gebracht. Voorts is het hoger beroep van het Uwv gericht tegen de overweging van de rechtbank dat er niet is ingegaan op betrokkenes bezwaar aangaande de waarde van de verklaring van getuige [naam getuige].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep betrokkene (12/2301)

4.1.

De door betrokkene ook in hoger beroep aangevoerde grond dat ten onrechte aan zijn verklaring van 23 juni 2010 doorslaggevende betekenis is toegekend, omdat deze verklaring is afgegeven terwijl aan betrokkene niet de cautie was verleend wordt, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, niet gevolgd. Verwezen wordt allereerst naar de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3682 en van 25 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5184. In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat een bestuursorgaan niet gehouden is de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop gericht is het recht op uitkering (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat op 23 juni 2010 sprake was van een onderzoek als hiervoor bedoeld. Mitsdien kan de aangevoerde grond dat de cautieplicht is geschonden, niet slagen.

4.2.

Ten aanzien van de door betrokkene op 23 juni 2010 tegenover inspecteur A. [K.] afgelegde verklaring wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad in beginsel groot gewicht toekomt aan een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:147). Er wordt geen aanleiding gezien om in dit geval af te wijken van dit uitgangspunt. Daarbij wordt overwogen dat betrokkene zijn op 23 juni 2010 afgelegde verklaring in essentie heeft herhaald tijdens zijn verhoor op 3 maart 2011, welke verklaring betrokkene heeft afgelegd in het kader van het onderzoek naar de schending van de inlichtingenplicht. Nu ook overigens niet is gebleken dat het in het gespreksrapport gestelde onjuist is of op onzorgvuldige wijze is verkregen - met name zijn geen nadere duidelijke en eenduidige andere verklaringen gegeven dan wel afwijkende gegevens overgelegd over de aard en de omvang van verrichte

werkzaamheden - ziet de Raad, ook ten aanzien van deze grond, geen aanleiding om van het oordeel van de rechtbank af te wijken. Het Uwv heeft dan ook terecht de inhoud van betrokkenes verklaring aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat het daarbij ging om een zakelijke weergave van hetgeen tijdens het verhoor is verklaard, maakt dat niet anders.

4.3.

In navolging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft de Raad in het licht van het geheel van de over betrokkene beschikbare gegevens, waaronder het onderzoeksrapport van 6 juli 2010 waarin de verklaring van betrokkene van 23 juni 2010 is weergegeven en welke als bijlage het journaal van waarnemingen van inspecteur [K.] bevat die betrokkene op twee adressen schilderswerkzaamheden heeft zien verrichten, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat betrokkenes WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2010 moet worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De Raad stelt vast dat het Uwv bij het vaststellen van de omvang van de werkzaamheden de in het onderzoeksrapport weergegeven verklaring van betrokkene heeft gevolgd, die er kort gezegd op neer komt dat hij al vier á vijf jaar schilderswerkzaamheden verricht, voor ongeveer drie dagen per week en daarvoor € 15,- per uur heeft ontvangen. Zoals onder 4.2 reeds is overwogen heeft betrokkene geen nadere concrete en verifieerbare inkomensgegevens overgelegd over de omvang van de verrichte werkzaamheden. Onder die omstandigheden heeft het Uwv de verzwegen inkomsten terecht geschat op basis van de verklaring van betrokkene. Dat geen sprake zou zijn van werkzaamheden die in het economisch verkeer loonwaarde vertegenwoordigen, althans niet het wettelijk minimumloon, wordt niet gevolgd. Nog los van het feit dat betrokkene heeft verklaard dat hij voor zijn schilderwerkzaamheden € 15,- per uur heeft ontvangen, zijn deze werkzaamheden onmiskenbaar activiteiten die als economische arbeid kunnen worden gekwalificeerd.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre in stand kan blijven.

Hoger beroep Uwv (12/2285)

6.1.

In het onderhavige geval heeft het Uwv in de bezwaarfase vastgesteld dat bij de berekening van de terugvordering per abuis de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag over de periode 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 niet in de terugvorderingsberekening was betrokken. Naar aanleiding van de heroverweging in bezwaar is besloten om deze onjuistheid alsnog te corrigeren. Bij de correctie van de terugvorderingsberekening heeft het Uwv tevens meegewogen dat betrokkene over de vakantieperiodes - zoals vermeld onder

1.5 -

recht had op een ongekorte WAO-uitkering en toeslag. Zulks blijkt ook uit de “bijlage berekening terugvordering” die bij het bestreden besluit is gevoegd. In het bestreden besluit heeft het Uwv dit tot uitdrukking gebracht door - kort gezegd - te overwegen dat de terugvordering € 15.471,20 zou bedragen, maar het Uwv een bedrag van € 14.035,58 heeft teruggevorderd en zij dat bedrag niet te hoog acht.

6.2.

Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit niet in strijd heeft gehandeld met het uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht volgende beginsel, dat het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt, dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn; het zogenoemde verbod van reformatio in peius. Het Uwv heeft bij het genoemde besluit de kortings- en intrekkingsbeslissingen van

5 oktober 2010 deels herroepen en in voor betrokkene gunstige zin vervangen door het bestreden besluit. Het Uwv heeft het bedrag aan WAO-uitkering en toeslag dat van betrokkene wordt teruggevorderd niet verhoogd, maar gehandhaafd op hetzelfde bedrag als is aangegeven in de besluiten van 5 oktober 2011. Reeds hierom is van strijd met het genoemde beginsel geen sprake. Dat het Uwv een element van de besluitvorming in bezwaar in voor betrokkene negatieve zin bijstelt, leidt niet op zich tot een verboden benadeling; het gaat erom of het resultaat van die besluitvorming ook nadelig is, wat in dit geval niet zo is.

7. Hetgeen is overwogen onder 6.1 en 6.2 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten door het Uwv;

- verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M.H. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.H. Crum

HD