Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
13-6271 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering immateriële schadevergoeding. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij dergelijke schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6271 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2013, 13/1312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingerwerf (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 13/2973 WWB en 13/6270 WWB plaatsgehad op 12 augustus 2014. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 2 augustus 2000 tot en met 31 maart 2012 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand. In de loop der jaren heeft het college ten aanzien van appellant een groot aantal opschortings- en intrekkingsbesluiten en andere besluiten genomen. Appellant heeft tegen de meeste besluiten bezwaar gemaakt, vervolgens tegen nagenoeg alle beslissingen op bezwaar beroep ingesteld en tegen enkele uitspraken van de rechtbank Leeuwarden en Noord-Nederland hoger beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 20 augustus 2012 heeft appellant verzocht om de aanmerkelijke schade die hij de afgelopen jaren heeft geleden “ten gevolge van handelingen van gemeenteambtenaren” te vergoeden tot een bedrag van € 30.000,-.

1.3.

Bij besluit van 12 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2013 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Een onderbouwing van de gestelde schade ontbreekt. Van een onrechtmatig genomen besluit is geen sprake, terwijl bovendien nergens uit blijkt dat appellant geestelijk letsel heeft opgelopen in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd. Door de vele besluiten die het college ten aanzien van appellant heeft genomen, is het leven van appellant danig in de war geschopt. De vele procedures die appellant tegen die besluiten heeft moeten voeren, hebben een zware wissel getrokken op zijn leven. Hij heeft daardoor immateriële schade geleden, die het college dient te vergoeden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nog daargelaten dat appellant niet heeft gespecificeerd door welk(e) besluit(en) hij immateriële schade heeft geleden, heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij dergelijke schade heeft geleden. De enkele stelling van appellant dat de vele besluiten van het college zijn leven in de war hebben geschopt en dat de procedures die hij ten aanzien van die besluiten heeft moeten voeren een zware wissel op zijn leven hebben getrokken, is daartoe in ieder geval onvoldoende. In dit licht is van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende is dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door onrechtmatige besluiten.

4.2.

Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C. Moustaine

HD