Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
20-10-2014
Zaaknummer
13-2973 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op erfenis, weigering informatie te verstrekken over de afwikkeling van de erfenis. Redelijke wetsuitleg artikel 60, eerste lid, WWB. Toepassing artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, WWB.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 60
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/259
NJB 2014/1924
USZ 2014/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2973 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 mei 2013, 12/3098 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingerwerf (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 13/6270 WWB en 13/6271 WWB plaatsgehad op 12 augustus 2014. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 2 augustus 2000 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 15 januari 2010 is de vader van appellant overleden. Appellant heeft de erfenis van zijn vader bij akte van 9 december 2010 beneficiair aanvaard. Bij brief van 18 februari 2011 heeft appellant het college daarvan in kennis gesteld en er voorts op gewezen dat thans een notaris dient te worden ingeschakeld voor de boedelbeschrijving en dat pas na de boedelbeschrijving betalingen uit de erfenis zouden kunnen plaatsvinden, omdat dan pas duidelijk is of de erfenis baten omvat die de schulden van zijn overleden vader te boven gaan. Met deze brief heeft appellant bedoelde akte en het testament van zijn vader meegezonden.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 55 van de WWB appellant de verplichting opgelegd om zo snel mogelijk, in ieder geval vóór

1 juni 2011, de boedelbeschrijving te regelen en de erfenis te gelde te maken. Het college heeft er hierbij onder meer op gewezen dat wanneer blijkt dat appellant naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken, de mogelijkheid bestaat de bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB terug te vorderen en dat dit betekent dat, afhankelijk van de hoogte van de erfenis, de bijstand vanaf het moment van overlijden van zijn vader zou kunnen worden teruggevorderd. Bij uitspraak van heden, nr. 13/6270 WWB, heeft de Raad het besluit van 25 februari 2011 in stand gelaten.

1.4.

Appellant heeft geen gevolg gegeven aan deze verplichting. Wel heeft hij het college bij brief van 1 december 2011 een dagvaarding van 26 juli 2011 toegezonden. Met deze dagvaarding hebben de broers en zus van appellant, ten einde tot vaststelling en verdeling van de erfenis van hun vader te komen, appellant gedagvaard om op 17 augustus 2011 te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Leeuwarden. Onder de bijlagen bij de dagvaarding bevindt zich een conceptboedelbeschrijving. Daarin is opgenomen dat het saldo van de erfenis € 118.281,88 bedraagt, dat de broers en zus van appellant ieder recht hebben op € 27.470,47 en dat appellant recht heeft op € 35.870,47.

1.5.

Bij brief van 8 maart 2012 heeft het college appellant verzocht om vóór 15 maart 2012 informatie te verstrekken over, kort gezegd, het resultaat van de zitting van 17 augustus 2011. In het bijzonder wordt verzocht om, indien inmiddels uitspraak is gedaan, de uitspraak toe te zenden en indien nog geen uitspraak is gedaan op te geven wanneer dat zal gebeuren, dan wel of de zaak is aangehouden of verdaagd. Indien inmiddels duidelijkheid is over het geschil, dient appellant op te geven wanneer de erfenis wordt uitbetaald en op welk rekeningnummer.

1.6.

In reactie op dit verzoek heeft appellant bij brief van 15 maart 2012 laten weten dat hij nog geen geld van zijn familie heeft ontvangen en ook geen nota/afrekening van de notaris, dat hij zo spoedig mogelijk de gevraagde bewijsstukken zal inleveren zodra hij die heeft gevonden tussen de duizenden pagina’s correspondentie en dat de beantwoording van de brief van 8 maart 2012 maximaal drie maanden in beslag zal nemen.

1.7.

Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 april 2012 opgeschort, op de grond dat appellant de bij brief van 8 maart 2012 gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Het college heeft appellant daarbij tot 10 mei 2012 in de gelegenheid gesteld om die gegevens alsnog over te leggen.

1.8.

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 april 2012 ingetrokken op de grond dat hij niet heeft gereageerd op het opschortingsbesluit van 26 april 2012. Voorts heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van 16 januari 2010 tot en met 31 maart 2012 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 24.016,77. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende informatie te verstrekken over de erfenis van zijn vader en dat als gevolg van deze schending het recht op bijstand vanaf de datum van overlijden van zijn vader niet kan worden vastgesteld.

1.9.

Bij besluit van 15 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2012 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de bijstand met ingang van 16 januari 2010 wordt ingetrokken. Hieraan heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de gevraagde gegevens over de (procedure rond de verdeling van de) erfenis en de boedelbeschrijving niet verstrekt en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het is dan aan appellant om aan te tonen dat in de periode vanaf 16 januari 2010 toch recht op bijstand bestaat. Lukt dit niet, dan kan de bijstand vanaf die datum van appellant worden teruggevorderd. Dit komt voor rekening en risico van appellant. Appellant dan wel zijn gemachtigde heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de boedelbeschrijving/erfenis nog niet is geregeld of dat de zitting hierover is aangehouden. Het college kan dan ook niet anders dan overeenkomstig de uitleg van de wetgever de bijstand intrekken en terugvorderen vanaf 16 januari 2010.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij alle relevante informatie heeft verstrekt aan het college en het college op de hoogte heeft gesteld van alle verwikkelingen rond de erfenis van zijn vader. Appellant stelt de op hem rustende inlichtingenverplichting dan ook niet te hebben geschonden. Dit betekent dat de bijstand ten onrechte is ingetrokken en dat de reeds uitbetaalde bijstand ten onrechte is teruggevorderd over de periode van 16 januari 2010 tot 1 april 2012.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 16 januari 2010 tot en met 23 mei 2012 (datum intrekkingsbesluit).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.1.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan het bijstandverlenend orgaan tot terugvordering overgaan.

4.4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498) ontstaat de aanspraak op een erfdeel - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB - op het tijdstip van overlijden van de erflater.

4.4.3.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3358) bestaat in geval van toepassing van genoemd artikelonderdeel geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit. In de situatie waarop deze bepaling ziet is namelijk geen sprake van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand.

4.5.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de WWB is de persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.

4.6.

Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de inlichtingenverplichting van artikel 60,

eerste lid, van de WWB ook geldt in gevallen als het onderhavige, waarin de betrokkene aanspraak maakt op een erfdeel. Immers, inlichtingen over zowel het ontstaan van de aanspraak als de afwikkeling van de erfenis zijn onmiskenbaar van belang voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. De betrokkene is daarom gehouden daarover volledige openheid van zaken te geven. Indien de betrokkene deze verplichting niet of niet behoorlijk nakomt, is het college bevoegd om, behoudens tegenbewijs, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand terug te vorderen vanaf het moment waarop de aanspraak op het erfdeel is ontstaan.

4.7.

In dit geval is de aanspraak van appellant op zijn erfdeel ontstaan op 15 januari 2010, de datum van overlijden van zijn vader. Vaststaat dat appellant wel de in 1.3 genoemde dagvaarding van 26 juli 2011 heeft overgelegd, maar het college niet op de hoogte heeft gesteld van het (verdere) verloop van de met die dagvaarding in gang gezette procedure over de afwikkeling van de erfenis. Zo heeft appellant het college niet in kennis gesteld van wat de zitting van 17 augustus 2011 heeft opgeleverd en of, en, zo ja op welke wijze, die procedure is geëindigd, ook niet toen het college hem had gevraagd daarover informatie te verstrekken. Hieruit volgt dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichting om volledige openheid van zaken te geven over de afwikkeling van de erfenis van zijn vader. Dit betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de over de periode van 16 januari 2010 tot en met 31 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen, behoudens tegenbewijs. Appellant heeft geen gegevens in het geding gebracht op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen. Daarbij verdient aantekening dat appellant volgens de in 1.4 genoemde conceptboedelbeschrijving aanspraak kon maken op - in ieder geval - een bedrag van

€ 35.870,47 uit de erfenis van zijn vader en voorts dat appellant tot op heden geen uitsluitsel heeft willen geven over de afloop van de procedure over de erfeniskwestie. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat de rechtbank in die procedure in 2012 uitspraak heeft gedaan, maar wilde vervolgens op verzoek van appellant niet uit de doeken doen wat die uitspraak inhield.

4.8.

Uit 4.7 en de in 4.4.3 genoemde rechtspraak volgt dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van 16 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 in te trekken. Dit brengt tevens mee dat de terugvordering ten onrechte is gestoeld op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding.

4.9.

Gegevens over het (verdere) verloop van de met de dagvaarding van 26 juli 2011 in gang gezette erfenisprocedure zijn feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Uit deze gegevens kan immers naar voren komen dat appellant de beschikking krijgt of heeft gekregen over een vermogen boven de grens van de voor hem geldende vermogensgrens, wat een beletsel vormt voor voortzetting van de bijstand. Zoals al in 4.7 is overwogen, staat vast dat appellant in het geheel geen informatie heeft verstrekt over de procedure rond de afwikkeling van de erfenis. Gelet hierop is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de thans nog te beoordelen periode van 1 april 2012 tot en met 23 mei 2012 niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het college wel bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2012 in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.10.

Uit 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet voor zover het betrekking heeft op de intrekking over de periode van 16 januari 2010 tot en met 31 maart 2012 en op de terugvordering. Gelet op 4.8 zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 23 mei 2012 te herroepen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 16 januari 2010 tot en met 31 maart 2012. In aanmerking genomen dat het college bevoegd was tot terugvordering, zij het op een andere grond, en dat appellant de wijze waarop het college van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet heeft bestreden, zal de Raad voorts bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven voor zover het de terugvordering betreft.

5.

Appellant heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:73 van de Awb (oud) het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Aangezien appellant geen renteschade heeft geleden - de terugvordering blijft uiteindelijk in stand, evenals de intrekking van de bijstand per 1 april 2012 - en niet is gebleken dat hij anderszins schade heeft geleden, zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.

6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.435-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 november 2012 voor zover dat

betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 16 januari 2010 tot en

met 31 maart 2012 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 23 mei 2012 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand

over de periode van 16 januari 2010 tot en met 31 maart 2012 en bepaalt dat deze uitspraak

in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 23 november

2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 november 2012 in stand

blijven voor zover het de terugvordering betreft;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C. Moustaine

HD