Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
13-1316 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Zonder daarvan aan het college melding te maken, heeft appellant meer uren bij een pizzeria gewerkt dan hij heeft opgegeven. Nu appellant geen administratie heeft bijgehouden van de daadwerkelijk door hem gewerkte uren en van de door hem ontvangen fooien, is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1316 WWB

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

25 januari 2013, 12/2424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eemnes (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Bekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2014. Voor appellant is verschenen mr. Bekelaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Vlaanderen-Dorhout.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 6 maart 2009, samen met zijn partner [partner], bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellant heeft tijdens een gesprek op 26 augustus 2010 aan het college gemeld dat hij per 1 september 2010 werk heeft gevonden als oproepbezorger bij [pizzeria]. Bij besluit van 3 september 2010 heeft het college de bijstand van appellant herzien door per 1 september 2010 de daaruit ontvangen inkomsten in te houden op de uitkering. Op

5 november 2010 heeft M. Leenards, inspecteur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), het college gemeld dat hij bij een controle bij de pizzeria heeft vastgesteld dat appellant in de keuken werkt.

1.3.

In januari 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en een fraudepreventiemedewerker van de gemeente Eemnes. Daarin is appellant verzocht het college schriftelijk via een daarvoor bestemd formulier te informeren over de door hem gewerkte uren en zijn verdiensten. Appellant heeft vanaf januari 2011 maandelijks dat formulier en salarisstroken ingeleverd.

1.4.

Vervolgens heeft de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en R verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer op 26 april 2011 en in de periodes van 30 mei 2011 tot en met 17 juni 2011 en van

19 september 2011 tot en met 22 september 2011 waarnemingen verricht bij de pizzeria en is[naam], zoon van de eigenaar van de pizzeria, als getuige gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 oktober 2011.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

10 januari 2012, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant en R over de periode van 1 juli 2010 tot en met 15 oktober 2011 in te trekken op de grond dat appellant, zonder daarvan aan het college melding te maken, meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college de wettelijke grondslag van het besluit van

10 januari 2012 gewijzigd en tevens de over de periode van 1 juli 2010 tot en met 15 oktober 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant en R teruggevorderd tot een bedrag van € 23.542,02.

1.6.

Bij besluit van 5 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 10 januari 2012 en 6 februari 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als meest verstrekkende beroepsgrond heeft appellant aangevoerd dat met de waarnemingen een inbreuk is gemaakt op zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant stelt in dit verband dat voor het verrichten van waarnemingen, anders dan in de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1261, geen grond bestond. De melding van de inspecteur van het Uwv van 5 november 2010 is daarvoor onvoldoende, omdat deze te algemeen is en geen gegrond vermoeden van uitkeringsfraude oplevert. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de aanwezigheid van een pizzabezorger in de keuken van een pizzeria niet vreemd is. Volgens appellant mogen de bevindingen tijdens de waarnemingen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Als deze bevindingen buiten beschouwing worden gelaten, is er geen feitelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De melding is afkomstig van een inspecteur van het Uwv, die tijdens een reguliere (loon)controle bij de pizzeria op de werkplek heeft geconstateerd dat appellant werkzaam was in de keuken. In aanmerking genomen dat appellant had opgegeven pizzabezorger te zijn, leverde de melding van de inspecteur een gegrond vermoeden van fraude op. Voorts is in dit geval voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aangezien de waarnemingen uitsluitend zijn verricht - en ook noodzakelijk waren - om vast te stellen of appellant meer uren werkzaam was bij de pizzeria en deze waarnemingen in de openbare ruimte hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat er geen grond is de onderzoeksresultaten uit de waarnemingen buiten beschouwing te laten.

4.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit de onderzoeksresultaten niet kan worden afgeleid dat hij over de gehele periode van 1 juli 2010 tot en met 15 oktober 2011 de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat er geen plaats is voor een integrale intrekking en terugvordering over deze periode.

4.4.

Ook deze grond slaagt niet. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat appellant aan het college had gemeld dat hij per 1 september 2010 zou gaan werken als oproepbezorger bij de pizzeria, terwijl uit de nadien ingeleverde salarisstroken is gebleken dat appellant daar al met ingang van 1 juli 2010 werkzaam was. In de tweede plaats is van belang, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, dat de door appellant ingediende urenverantwoordingsformulieren niet overeenstemmen met wat uit de waarnemingen naar voren komt en dat in voldoende mate is gebleken dat appellant wekelijks meer dan twee uren bij de pizzeria heeft gewerkt en dit niet aan het college heeft gemeld. Bovendien heeft appellant tijdens de hoorzitting gedurende de bezwaarfase verklaard dat hij wel vaker aanwezig is bij de pizzeria om daar vrijwilligerswerk te doen. Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie opnieuw de uitspraak van 20 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1261, dat de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek vooronderstelt dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Appellant is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. De enkele stelling van appellant dat hij tijdens de hoorzitting hierbij specifiek doelde op de periode van de waarnemingen blijkt niet uit het verslag van de hoorzitting. Ten slotte bestaat onduidelijkheid over de fooien die appellant bij zijn bezorgwerkzaamheden heeft ontvangen en mocht houden en waarvan hij aan het college geen opgave heeft gedaan.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant over de gehele periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu appellant geen administratie heeft bijgehouden van de daadwerkelijk door hem gewerkte uren en van de door hem ontvangen fooien, is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Reeds bij gebreke van gegevens over de daadwerkelijke omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden en van de door hem ontvangen fooien is hier, anders dan appellant voorstaat, geen sprake van een situatie waarin het college het recht op bijstand schattenderwijs kan - en moet - vaststellen.

4.6.

Uit 4.2, 4.4 en 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. Rikhof

HD