Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
13-1774 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering (bijzondere) bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB is hier van toepassing. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant elders zijn hoofdverblijf zou hebben. De motieven die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, en de aard van de onderlinge relatie zijn niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1774 WWB, 13/1775 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 augustus 2012, 12/724 en 12/725, (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 februari 2013, 12/724 en 12/725 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats 1]

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.T. Pel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 augustus 2014 heeft mr. Pel een nader stuk ingezonden en aangekondigd vijf getuigen te zullen meenemen naar de zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Pel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Olthof.

Ter zitting zijn, na partijen daarover te hebben gehoord en op verzoek van appellanten, als getuigen gehoord [B.] (B), wonende te [woonplaats 2], en [HB] (HB), wonende te [woonplaats 3].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college een aanvraag om bijzondere bijstand van appellante afgewezen op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met appellant. Appellante ontving vanaf 14 oktober 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Appellanten hebben in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) samen ingeschreven gestaan op de volgende adressen in Heerenveen: van 5 mei 2006 tot

8 maart 2007 op het [adres 1], van 8 maart 2007 tot 24 september 2008 op het [adres 2] en van 24 september 2008 tot 13 oktober 2008 op het [adres 3] (uitkeringsadres). De woning op het [adres 2] betrof een tijdelijke (wissel)woning in verband met de renovatie van de woning op het [adres 1]. Na de renovatie werd laatstgenoemd huisnummer vernummerd tot [nummer]. Appellante stond in de te beoordelen periode op dit adres ingeschreven. Appellant stond in de periode van 13 oktober 2008 tot 8 februari 2010 in de GBA ingeschreven met een briefadres op het [adres 4] te Heerenveen. In de periode van 8 februari 2010 tot 3 juni 2010 heeft appellant met een briefadres ingeschreven gestaan op het [adres 5] te [woonplaats 4]. Vanaf 3 juni 2010 staat appellant ingeschreven op het [adres 6] te [woonplaats 4].

1.3.

Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning van appellanten op het uitkeringsadres heeft de Sociale Recherche Fryslân (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, diverse buurtbewoners uit de directe omgeving van het uitkeringsadres en anderen als getuigen gehoord, met toestemming van de officier van justitie in de periode van 17 mei 2011 tot en met 16 juni 2011 stelselmatige observaties bij de woning van appellante verricht met behulp van een technisch hulpmiddel en appellanten als verdachten verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 september 2011.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 oktober 2011 de (bijzondere) bijstand van appellante met ingang van 14 oktober 2008 in te trekken en de over de periode van 14 oktober 2008 tot en met 30 september 2011 gemaakte kosten van (bijzondere) bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 48.868,04. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan aan het college melding te hebben gemaakt, vanaf 14 oktober 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant.

1.5.

Bij besluit van eveneens 13 oktober 2011 heeft het college het van appellante teruggevorderde bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 15 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 13 oktober 2011 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat op grond van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende is komen vast te staan dat appellant dagelijks overdag, ’s avonds en ook wel ’s nachts bij appellante verbleef. Nu het centrum van het dagelijks sociaal en maatschappelijk leven van appellanten in de periode in geding zich gezamenlijk heeft afgespeeld is sprake van een gezamenlijke huishouding. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank vooropgesteld dat, nu appellanten in maart 2008 voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB van toepassing is. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode in geding sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf en dus van het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank wil wel aannemen dat appellant niet of nauwelijks de nacht bij appellant doorbrengt, maar is van oordeel dat toch sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres, aangezien appellant voortdurend bij appellante verbleef, zijn sociale leven zich daar afspeelde en appellanten veel dingen gezamenlijk deden. Het maatschappelijk en sociale leven van appellanten is, aldus de rechtbank, in de periode in geding zodanig met elkaar verweven dat gezegd moet worden dat zij met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit, voor zover het ziet op de (mede-)terugvordering, onzorgvuldig is voorbereid en gebrekkig is gemotiveerd, omdat, kort gezegd, het college er bij de berekening van het terug te vorderen bedrag ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de inkomsten van appellant gering waren. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

2.1.

Bij brief van 24 oktober 2012 heeft het college appellanten te kennen gegeven dat over de periode van 16 oktober 2009 tot en met 30 september 2011 het verschil tussen de inkomsten van appellant en de norm voor gehuwden € 3.188,57 bedraagt. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het teruggevorderde bedrag.

3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het ziet op de hoogte van de (mede)terugvordering, het terug te vorderen bedrag met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld op € 45.679,47 en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

4.

Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten en voor zover de rechtbank de (mede)terugvordering heeft vastgesteld op € 45.679,47.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 14 oktober 2008 tot en met 13 oktober 2011.

5.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

5.3.

Vaststaat dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB hier van toepassing is.

5.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat dit onweerlegbaar rechtsvermoeden in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en daarom buiten toepassing moet worden gelaten. Zij zijn van mening dat sprake is van een verboden discriminatie tussen personen die eerder gehuwd zijn geweest of hebben samengewoond en personen voor wie dit niet geldt. Weliswaar is het op zichzelf niet onredelijk dat de wetgever in het kader van de fraudebestrijding personen die tot de hiervoor als eerste genoemde categorie behoren een rechtsvermoeden tegenwerpt, maar dat mag er niet toe leiden dat iedere inhoudelijke weerlegging van het rechtsvermoeden is uitgesloten.

5.5.

Niet in geschil is dat, zoals appellanten onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, ECLI:HR:2009:BH2580 ook erkennen, voor zover artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB al een ongelijke behandeling van gelijke gevallen schept, van die bepaling niet kan worden gezegd dat de keuze van de wetgever van redelijke grond is ontbloot. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165) belet artikel 3, vierde lid, van de WWB belanghebbenden verder niet om zowel het feitelijk bestaan van (één van) de vier daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan de rechter te presenteren. Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst.

5.6.

Uit 5.7 volgt dat de beroepsgrond dat artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB leidt tot een verboden discriminatie, niet slaagt.

5.7.

Wat appellanten voor het overige hebben aangevoerd, komt er in de kern op neer dat de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante en appellant in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten de woning van appellante.

5.8.

Appellanten stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.9.1.

In de processen-verbaal van de verhoren van appellante op 14 en 15 september 2011 zijn onder meer de volgende verklaringen opgenomen:

“Hij komt gezellig bij mij, hij kijkt een filmpje bij mij, of we doen samen boodschappen (…)”. [Op de vraag of appellant kan internetbankieren: ] “Ja en dat doet hij bij mij omdat hij thuis geen internet heeft. Hij heeft nu een internetaansluiting met zijn buurman geregeld, maar dat werkt dan weer wel, en dan weer niet. En hij heeft net een nieuwe computer die niet goed was. Dus hij deed zijn mail en MSN en internetbankieren wel vaak bij mij.” [Op de vraag waar appellant verbleef vanaf het moment dat hij zijn eigen woning had opgezegd, niet meer werkte en alleen nog maar postadressen voerde:] “Overdag was [appellant] [appellant] bij mij en ’s avonds sliep hij bij [X. en Y.]], of bij [V.] [[V.]]. Dat weet ik zeker want dat heeft hij mij wel verteld. (…) [appellant] is ’s avonds bij mij, maar gaat altijd naar zijn eigen huis om te slapen. [appellant] heeft een sleutel van mijn woning. (…) Het klopt dat hij heel vaak bij mij is. Maar hij slaapt niet bij mij. (…) Tot ’s avonds zijn wij samen, dat klopt. We hebben veel te bespreken, we steunen elkaar. (…)” [Op de opmerking dat het sociale leven van appellant voornamelijk om appellante, haar zoon [naam 1] en in en rond de woning van appellante draait:] “Ja, dat klopt. Vooral de laatste tijd. [appellant] en ik hebben beide onze problemen, we hebben veel steun aan elkaar. U vraagt mij hoe vaak ik met [appellant] meerijd in zijn auto. Dat is toch wel dagelijks. Als ik ergens naartoe moet, of hij moet ergens naartoe, dan doen we dat vaak wel samen. (…) We hebben steun aan elkaar, [appellant] past wel op [naam 1] als ik weg ben. (…)” [In reactie op de vraag of appellant dagelijks bij appellante is en, zo ja, sinds wanneer:] “Ja, hij is dagelijks bij mij in de woning. [appellant] is altijd wel in beeld geweest, maar sinds de laatste tijd is hij vaker bij mij omdat het slechter gaat met mijn gezondheid. Hij zorgt ervoor dat ik eet en dat ik mijn medicijnen neem. (…) Sinds oktober 2010 is het achteruit gegaan met mijn gezondheid. Sindsdien is [appellant] vaker bij mij. (…)” [In reactie op de vraag of het beeld van iedereen klopt dat appellant altijd bij appellante is, ook ’s nachts, en dat appellanten alles samen doen:] “Ja, dat is om mij te beschermen.” [In reactie op de vraag of het zo is dat appellanten feitelijk bij elkaar zitten:] “Ja, dat is wel zo. Overdag wel, en ’s nachts is [appellant] ook nog wel eens in en om mijn woning. (…) Hij vindt het ook prettiger bij mij thuis. (…) [appellant] en ik hebben een broer-zus relatie. We kunnen niet met en niet zonder elkaar. Hij is vaak bij mij, hij helpt me en beschermt me en dat wil ik ook graag zou houden. (…).”

5.9.2.

In de processen-verbaal van de verhoren van appellant op 14 september 2011 zijn onder meer de volgende verklaringen opgenomen:

[In reactie op de opmerking dat de verbalisant heeft gezien dat appellant ook wel de nachtelijke uren in de woning van appellante doorbracht:] “Heeft [appellante] [appellante] ook verteld waarom ik dat deed? Ze heeft veel problemen gehad met een buurvrouw en dat heeft ze nog steeds. Ik zat daarom wel in de garage of in de tuin om bij het minste of geringste eruit te kunnen spurten. Ik sliep daar niet, ik zat daar ter bescherming. Dat zal ongeveer anderhalf jaar tot één jaar terug zijn geweest. Maar het speelt nog steeds.” [In reactie op vraag hoe vaak appellant bij appellante en haar zoon [naam 1] is:] “Ik kom daar dagelijks. Het houdt niet in dat ik er de hele dag zit. Dat hangt er vanaf waarvoor ik kom en hoe ik kom. U vraagt of er een reden is waarvoor ik kom. Mijn grootste hoofdzaak is dat ik er dan zelf uit ben. (…) Dat ik ’s nachts bij [appellante] ben, dat is ter bescherming van [appellante]. Maar dat gebeurde driekwart jaar geleden voor het laatst. [In reactie op de vraag dat als de verbalisanten appellant kort geleden nog ’s avonds door de schuttingdeur weer terug zien lopen, dit dan met bescherming niets te maken heeft:] “Jawel, [appellante] moet nog altijd beschermd worden. Ik struinde ook wel eens even rond haar huis. (…) Het is hartstikke mooi voor de buitenwereld dat ze denken dat we een stel zijn, want dan gebeurt er ook niks. Dat is veiliger voor [appellante].” [In reactie op het voorlezen van diverse waarnemingen:] “Ik ontken het niet. Het zijn allemaal dagelijkse dingen die ik doe voor [appellante].” [In reactie op de opmerking dat appellant al die dagelijkse dingen dus bij appellante thuis doet:] “Ja, nou goed, ik vind het allemaal flauwekul. Ik help haar gewoon. (…) Bij [appellante] thuis zit niemand me op de vingers te kijken, ik kan lekker mijn gang gaan, de buurt kent me. (…)” [In reactie op de vraag waarom appellant ’s avonds zijn auto naar zijn flat toebrengt, maar de verbalisanten hem ’s morgens uit de woning van appellante zien komen lopen en tien minuten later weer met zijn auto terug zien komen:] “Dat doe ik ’s avonds ook regelmatig. Ik zet mijn auto dan ter bescherming weer bij mijn eigen flat omdat ik bang ben dat hij anders vernield wordt. Daarnaast mogen buren best denken dat ik weg ben omdat mijn auto er niet staat, maar dan kom ik inderdaad lopend weer terug. (…)”

5.10.

Uit deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien met de verklaringen van de directe buurtbewoners en met de bevindingen tijdens de stelselmatige observaties, kan worden afgeleid dat appellanten in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hadden.

5.10.1.

De - in totaal acht - als getuigen gehoorde buurtbewoners hebben, onafhankelijk van elkaar verklaringen van gelijkluidende strekking afgelegd, te weten dat appellant dagelijks/altijd bij appellante is, dat dit ook al het geval was voordat de woningen in de straat van het uitkeringsadres werden gerenoveerd en in de periode van bewoning van de wisselwoning, dat appellanten overdag alles samen doen, zoals boodschappen doen en de honden van appellante uitlaten, en dat appellant ’s avonds laat met de auto weggaat. Eén van de buurtbewoners, die recht tegenover de woning van appellante woont, heeft verklaard dat appellant dagelijks rond 9.30 uur komt en ’s avonds weer weggaat en dat het opvalt als appellant er niet is of als zijn auto er niet staat.

5.10.2.

Appellanten hebben de objectiviteit, en daarmee de betrouwbaarheid, van in ieder geval twee buurtbewoners, te weten [buurtbewoner 1] en [buurtbewoner 2], in twijfel getrokken. Hiervoor bestaat echter geen grond, reeds omdat deze verklaringen in lijn zijn met de verklaringen van appellanten en van de overige buurtbewoners uit de directe omgeving van het uitkeringsadres. Bovendien komen de verklaringen van de hiervoor genoemde twee buurtbewoners, evenals de verklaringen van de overige buurtbewoners, voort uit eigen waarneming en zien deze op de feitelijke woonsituatie in de hier te beoordelen periode.

5.10.3.

Tijdens de stelselmatige observaties die in de periode van 17 mei 2011 tot en met

16 juni 2011 zijn verricht bij de woning van appellante is onder meer het volgende waargenomen. Appellant verbleef dagelijks bij appellante. Appellanten reden regelmatig weg met de auto van appellante en haalden regelmatig gezamenlijk boodschappen met die auto. Appellant werkte in de tuin van appellante, verrichte werkzaamheden aan de oprit voor haar garage en kwam regelmatig ’s avonds uit de woning van appellante met haar honden om dan tien minuten later weer terug te komen. In de avond-/nachtelijke uren kwam appellant uit de woning van appellante en kwam in de ochtend weer terug naar haar woning. Een aantal keer is waargenomen dat appellant in de nachtelijke uren in de woning van appellante verbleef.

5.11.

De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant in de te beoordelen periode elders zijn hoofdverblijf zou hebben. Daartoe geldt het volgende.

5.11.1.

Vaststaat dat appellant in de periode van 13 oktober 2008 tot 3 juni 2010 briefadressen had. Hij heeft zelf verklaard dat hij in die periode een zwervend bestaan heeft geleid. Weliswaar heeft appellant verklaard dat [naam 1] hem een dik half jaar, gedurende de wintermaanden, heeft opgevangen, maar [naam 1] heeft als getuige tegenover de sociale recherche verklaard dat hij appellant in oktober 2008 gedurende anderhalve maand heeft geholpen met een slaapplaats. Appellanten hebben aangevoerd dat deze verklaring feitelijk onjuist is, aangezien appellant feitelijk in de periode van oktober 2008 tot en met maart 2009 bij V heeft verbleven. De Raad ziet echter geen aanleiding om niet uit te gaan van de door de getuige [naam 1] afgelegde en ondertekende verklaring, nu deze gedetailleerd en consistent is en is opgenomen in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Appellanten hebben gesteld dat de reden voor [naam 1] om te verklaren zoals hij heeft verklaard lijkt te zijn gelegen in diens eigen belang en in rancune, maar hebben deze stelling niet onderbouwd. Wel hebben appellanten in bezwaar schriftelijke verklaringen ingebracht van [M.] en [naam 2], die beiden verklaren appellant in de periode van oktober/november 2008 tot en met maart/april 2009 regelmatig te hebben aangetroffen en gesproken op het adres van [V.]. Anders dan appellanten kennelijk hebben willen betogen, volgt uit deze verklaringen echter niet dat appellant in de door [M.] en [naam 2] genoemde periode het centrum van zijn dagelijks leven en daarmee zijn hoofdverblijf had op het adres van [V.].

5.11.2.

Uit de in bezwaar ingebrachte schriftelijke verklaring van [K.] kan niet worden geconcludeerd dat appellant in de periode van november 2009 tot en met maart 2010 zijn hoofdverblijf had in de woning van[K.]heeft verklaard dat zij appellant in die periode een slaapplaats heeft aangeboden, dat appellant meestal zo rond 23.30 uur binnenkwam en rond 07.00 uur weer wegging. In aanmerking genomen dat uit de verklaringen van appellanten en van directe buurtbewoners blijkt dat ook in die periode het centrum van het dagelijks leven van appellant zich bevond in en rond de woning van appellante, komt aan de omstandigheid dat appellant de nachten wellicht elders doorbracht geen betekenis toe.

5.11.3.

In de periode van 3 juni 2010 tot en met 13 oktober 2011 stond appellant in de GBA wel ingeschreven met een woonadres. Gelet echter op het lage water- en energieverbruik in die periode in de woning van appellant, in samenhang bezien met de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, kan niet worden aangenomen dat appellant in die periode zijn hoofdverblijf had in en rond zijn woning.

5.11.4.

Naast de verklaringen van [M.], [naam 2] en [K.], hebben appellante in bezwaar ook nog schriftelijke verklaringen ingebracht van [SV] (SV) en [JB] (JB). SV verklaart dat zij een goede vriendin van appellante is en dat zij kan verzekeren dat appellante niet heeft samengewoond met appellant. JB verklaart dat hij en HB, zijn echtgenote, al jaren bij appellante in de straat wonen - drie huizen verder - en daardoor zeker weten dat appellante geen gezamenlijke huishouding voert. Dit zijn echter conclusies en geen feitelijke waarnemingen van de woon- en leefsituatie van appellante. Reeds om die reden kan aan de verklaringen van SV en JB - zeker in het licht van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche - niet die betekenis worden toegekend die appellanten daaraan gehecht wensen te zien.

5.11.5.

Dit laatste geldt ook voor de in hoger beroep ingebrachte schriftelijke verklaring van [HV] (HV), voor zover HV daarbij verklaart dat appellanten naar zijn inzicht gedurende de periode 2008 geen samenwoningsverband hadden. HV, die in dezelfde straat woont als appellante, heeft voorts nog verklaard dat appellante in 2004 toetrad tot de [bewonerscommissie], dat appellante zo nu en dan was verhinderd door haar lichamelijke beperkingen, dat appellant dan vaak klaar stond om haar in die moeilijke tijd bij te staan, dat HV appellant regelmatig ’s avonds nog huiswaarts zag keren en tijdens een kort onderhoud heeft begrepen dat appellant naast zijn eigen werkzaamheden hand- en spandiensten verrichtte voor appellante, zoals het uitlaten van honden, boodschappen doen en het naar school brengen van haar jongste zoon. In zoverre is de verklaring van HV in lijn met de verklaringen van de buurtbewoners die de sociale recherche als getuigen heeft gehoord.

5.11.6.

Zoals in de rubriek ‘procesverloop’ al is vermeld, hebben appellanten aangekondigd vijf getuigen te zullen meenemen naar de zitting van de Raad. In overleg met appellanten zijn niet alle meegebrachte getuigen gehoord, maar alleen B en HB. Daarbij is in aanmerking genomen dat van twee getuigen, te weten K en JB, al schriftelijke verklaringen voorhanden waren, en dat de getuige [MM] de zoon van appellante is. B heeft verklaard dat zij in de periode van oktober 2008 tot maart 2011 de buurvrouw van appellante was en dat zij dagelijks bij elkaar over de vloer kwamen om koffie te drinken. Voorts heeft B verklaard dat appellant er iedere dag was voor appellante, dat appellant onder meer met appellante meeging naar het ziekenhuis en haar honden uitliet, dat B appellant bijna dagelijks heeft gezien, dat appellanten samen boodschappen hebben gedaan en de honden hebben uitgelaten en dat B in de periode dat zij de buurvrouw van appellante was geen verandering heeft gezien in de aanwezigheid van appellant. Deze verklaring geeft geen ander beeld van de woon- en leefsituatie van appellanten dan het beeld dat de door de sociale recherche als getuigen gehoorde buurtbewoners daarvan hebben geschetst. HB heeft verklaard dat zij en appellante vriendinnen van elkaar zijn en dagelijks bij elkaar komen koffiedrinken, dat appellant er soms ook was, dat appellant af en toe klusjes deed in de woning van appellante, dat zij soms de auto van appellant in de straat zag staan en dat appellanten samen heeft zien terug komen van het boodschappen doen en dat dit ongeveer eenmaal per week was. Deze verklaring wijkt zodanig af van de verklaringen die appellanten zelf hebben afgelegd en van de door de andere buurtbewoners afgelegde verklaringen, dat daaraan reeds om die reden geen betekenis toekomt.

5.12.

Gelet op 5.9.1 tot en met 5.11.6 heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellanten gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, te weten de woning van appellante.

5.13.

Appellanten hebben erop gewezen dat er goede redenen bestonden voor de aanwezigheid van appellant bij appellante. Omdat appellante kampt met een slechte gezondheid, verleent appellant mantelzorg door werkzaamheden te verrichten die de huishoudelijke hulp niet doet en door appellante te helpen met haar honden, haar tuin, boodschappen doen en klussen. Daarnaast wordt appellante fysiek en verbaal bedreigd door [naam 3] en de vriend van [naam 3] en voelt zij zich veiliger met appellant in de buurt.

5.14.

Voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn de door appellanten genoemde redenen voor de aanwezig van appellant bij appellante niet relevant. Immers, die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

5.15.

Ten slotte hebben appellanten (subsidiair) aangevoerd dat, zo er al sprake is van enig gezamenlijk hoofdverblijf, dit ten hoogste voor de periode van 1 februari 2011 tot en met

14 september 2011 aan de orde zou kunnen zijn, omdat de sociale recherche slechts in die periode onderzoekshandelingen heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de door de sociale recherche verrichte onderzoekshandelingen slechts een beperkte periode beslaan, doet er niet aan af dat de onderzoeksbevindingen betrekking hebben op de gehele hier te beoordelen periode.

5.16.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten, moeten daarom worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.W. Munneke

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD