Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
13-3336 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Geen objectieve gegevens overgelegd waaruit het aantal door hem gewerkte uren en de door hem genoten inkomsten blijken. De wel overgelegde gegevens stemmen bovendien niet overeen met het door hem overgelegde overzicht van de door hem gewerkte uren. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3336 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 mei 2013, 12/4203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 21 maart 2012 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen recht heeft op bijstand. Appellant moet volgens het college worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, omdat hij sinds 1 augustus 2009 bij de Kamer van Koophandel (KvK), samen met zijn in Marokko wonende oom, staat ingeschreven als vennoot van de [naam v.o.f.](v.o.f.).

1.2.

Bij besluit van 8 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2012 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft onvoldoende inlichtingen verstrekt over de door hem gewerkte uren en hieruit verkregen inkomsten. Tevens is appellant bij dit besluit, omdat hij met ingang van 16 mei 2012 bij de KvK is uitgeschreven als vennoot van de v.o.f., om pragmatische redenen met ingang van 16 mei 2012 bijstand toegekend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het standpunt van het college onderschreven dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij onvoldoende gegevens heeft overgelegd. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het aantal door hem gewerkte uren. Zo heeft hij tijdens een telefonisch onderhoud op 7 mei 2012 naar aanleiding van zijn aanvraag aangegeven dat hij naar schatting 20 tot 60 uur per week heeft gewerkt, heeft hij in bezwaar aangevoerd dat hij 0 tot 20 uur heeft gewerkt en heeft hij tijdens de op 24 juni 2012 gehouden hoorzitting verklaard dat hij meestal 5, 7 of 10 uur heeft gewerkt. De achteraf door appellant overgelegde ongedateerde verklaring, waarin is aangegeven dat het door appellant overgelegde logboek met betrekking tot het aantal uur dat hij heeft gewerkt juist en controleerbaar is, is onvoldoende om aan de hand hiervan te concluderen dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep betwist appellant dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij kon geen loonspecificaties of arbeidsovereenkomst verstrekken omdat hij niet in loondienst werkte. Appellant mocht er op vertrouwen dat de door hem tijdens de bezwaarfase verschafte inlichtingen voldoende waren voor toekenning van bijstand met ingang van 21 maart 2012.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat hij ook in beroep naar voren heeft gebracht. Daarin ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar.

4.2.

De Raad benadrukt dat appellant niet zozeer wordt verweten dat hij geen arbeidsovereenkomst of loonspecificaties heeft overgelegd, maar dat hij geen objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit het aantal door hem gewerkte uren en de door hem genoten inkomsten blijken. De wel overgelegde gegevens stemmen bovendien niet overeen met het door hem overgelegde overzicht van de door hem gewerkte uren.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.T.P. Pot

HD